Verslag van een pelgrimstocht: Ruta de la Plata – deel 3

Vervolg van deel 1 en deel 2


Zondag 1 mei: Cea – (Oseira, 9,2 km) – Castro Dozón (totaal: 20,2 km)

l’Esprit du Chemin. Op reis: de tijd

Een belangrijk onderwerp in ons leven. Hoe vaak komen we geen tijd te kort? Toch hebben we allemaal evenveel uren tot onze beschikking. De tijd doden komt in onze vocabulaire niet voor. Tijdens onze tocht hebben we zeer zeker ook te maken met de tijd. Hoe laat staan we op? Hoe laat sluiten de winkels? Hoe laat gaan ze weer open? Hoe laat is er een Eucharistieviering? Zelfs nu we geblokkeerd zijn door mankementen hebben we te maken met tijdsindeling.
Tijdens het lopen bestaat er vaak geen tijd. Daar zijn we dan niet mee bezig. Tijdloos leven heeft iets met eeuwigheid te maken. Tijdloos leven is ontspannen je weg gaan, stap voor stap, ogenblik na ogenblik. Genieten, niets moeten, zintuigen open, aanwezig zijn in het moment, verstillen.

De tijd, in het gewone leven, vraagt om structuur en om keuzes. Het is een onderwerp waar ik nog niet mee klaar ben.

Het dagcitaat luidt:

Jullie Westerlingen hebben horloges. Wij hebben de tijd.

Afrikaans gezegde

We vertrekken vroeg – daar heb je de tijd al weer – en hopen dat er in Oseira in het Cisterciënserklooster een Eucharistieviering zal zijn. De tijden kennen we niet. Ja, we gaan toch weer te voet, het proberen waard. Tot Oseira klimmen we steeds over een verharde weg heel geleidelijk omhoog. We doen het langzaam. Uit de verte zien we het enorme kloostercomplex al liggen. Er blijkt een Eucharistieviering te beginnen als we een half uur de tijd nemen om te wachten. We hebben álle tijd. Conchita en Pepe zijn er ook en enkele anderen. De viering is sober (om halftwaalf is er pas een hoogmis). Er wordt niet gezongen, wel een korte preek die we niet verstaan. Toch fijn dat we er zijn. De rituelen herkennen we, evenals de volgorde van de gebeden, de lezingen, alle handelingen. Het is niet helemaal vreemd. Het geeft ons een verbinding met de zondag die om onze innerlijke aandacht vraagt.

Na de lange rust van de viering, plus de wachttijd die eraan vooraf ging, wagen we ons toch aan het tweede deel. Het is zondag, we zijn bang dat er geen bussen lopen, al hebben we er niet naar geïnformeerd. Eigenlijk gaat het niet zo goed met de knie. Langzaam klimmen we omhoog. Het is steiler dan we voorzien hadden, daarna weer vlakker en weer gaan we omhoog over een steenachtig, maar schitterend paadje. Ook dalen we weer en opnieuw moeten we klimmen, veelal over zeer oude paden en paadjes. We lopen tussen heggen door waarachter koeien ons nieuwsgierig aankijken alsof we wereldwonderen zijn. De schapen mekkeren er rustig op los of gaan ongestoord door met grazen. Op een gegeven ogenblik lopen we midden door een kudde, die bedrijvig en wat opgejaagd naar een andere plek wordt geleid. We passeren wel een zestal dorpjes, waarvan we de namen niet hoeven te onthouden.

In Castro-Dozón is het even zoeken naar de herberg. We treffen een jong Pools echtpaar die de albergue net zomin kunnen vinden als wij. We zijn afgeslagen op een plaats waar we de weg nog hadden moeten volgen. Zo’n tegenvaller is niet leuk op het einde van een, toch zeer vermoeiende dag. Uiteindelijk komt het weer goed, juist vóórdat de regen met grote vaart en heilig geweld naar beneden stort. Het dak kreunt ervan. Andere pelgrims komen totaal doorweekt aan. Er bestaan buien waartegen geen regenkleding bestand is. Zo’n bui zagen en hoorden we vandaag, terwijl we lekker droog van het weer konden genieten, maar ook te doen hadden met de druipende pelgrims die de bui niet voor konden zijn. De herberg, die niet al te groot is, raakt bijna overbevolkt. Overal hangen de natte kleren die niet meer droog te krijgen zijn. De lucht bevat overmatig veel vocht.

De regen klettert,
Ricky staat onder de douche,
de herberg stroomt vol

Soms lopen we een dag achter met de tekening en de haiku. Gisteren Diny, vandaag ik:

Typische huisjes,
Galicisch kenmerk, waarvoor
zouden ze dienen?

(Intussen weten we dat. Het betreft de horreos, de maïsdroogplaatsen).

Deze herberg staat er pas vanaf 2008. Winkels en cafeetjes in dit tamelijk kleine dorp zijn gesloten. We moeten eten wat we nog in onze rugzakken hebben. Als het buiten is opgeklaard, maak ik nog een verkenningstocht voor de volgende dag, maar dat blijkt achteraf niet meer nodig, want Diny’s knie weigert nu definitief. Hadden we toch beter naar de tekens moeten luisteren? Eén ding weten we nu zeker: morgen moeten we de bus nemen, hoe jammer we het ook vinden. En dan maar meteen naar Santiago. Er resten nog tien dagen, dus tijd in overvloed. Hoe we die in gaan vullen zien we dan wel weer.

Omdat we tamelijk laat in de herberg aankwamen zijn alle benedenbedden bezet, op één na. Ik moet het bovenbed nemen, maar het is erg smal en geen beveiliging aan beide vrije zijkanten, ook nogal onvast als ik me beweeg, best een beetje eng. Pas ná onze aankomst is de tweede slaapzaal geopend, die nu ook al bijna vol ligt. Ik verhuis naar die ruimte, want daar is nog een hoog bed vrij aan de muurkant. Ik vlei me tegen de muur aan die me een steuntje in de rug geeft. Veilig voel ik me nu! Ik kan met een gerust hart mijn ogen dicht doen. Ik laat een van de avondpsalmen door me heen zingen: Vredig vind ik de rust en de slaap, Gij o Heer, Gij alleen, doet mij wonen beveiligd. Alle onrust valt weg op momenten waarin je je over kunt geven aan wat of Wie dan ook. Zo’n momenten zijn kostbare tijdloze ogenblikken.

Maandag 2 mei: Castro-Dozón – Santiago (met de bus: 71,7 km)

l’Esprit du Chemin. De reisgenoten: de ander

Reisgenoten, het is een toevalstreffer wie je onderweg ontmoet. Niets is er afgesproken. Ging je een dag later, dan zou je andere reisgenoten hebben. Het heeft geen zin je af te vragen of je dan leukere of minder aardige mensen ontmoet zou hebben. Deze reisgenoten zijn déze reisgenoten. In je gewone leven kun je ook niet altijd kiezen. Collega’s, buren, ze komen onafhankelijk van je eigen keuze op je pad. En ze hebben je wat te zeggen, je gaat je ertoe verhouden op een bepaalde manier. Soms is dat een echt leerproces.

Wij, Diny en ik, waren allereerst reisgenoten voor elkáár. Daarnaast de vele anderen die in de loop van de tocht ook op ons betrokken raakten en omgekeerd wij op hen. Ook zijn er veel toevallige mensen die op ons pad kwamen, mensen die ons de weg wezen, winkelmeisjes, chauffeurs van auto’s die een hand opstaken enzovoort. Op de foto (op het esprit-kaartje) zie je een lange rechte weg. Er lopen vier mensen op enige afstand van elkaar. Het zijn reisgenoten. Ze lopen individueel en toch zijn ze ook samen onderweg. Dat is het mooie dat je individu kunt blijven en toch samen optrekt. Ontmoetingen met je reisgenoten zijn doorgaans een grote vreugde en geven een meerwaarde aan de pelgrimage. Een meerwaarde die tot stand komt door uitwisseling van ervaringen, delen van teleurstellingen, enthousiasme over de schoonheid om ons heen, belangstelling voor elkaars welbevinden, vooral lichamelijk, maar soms ook door een dieper of persoonlijker gesprek. Het is vooral de herkenning bij elkaar die je vreugde vermeerdert.
Ook zijn er vele thuisblijvers die met ons meereizen: familie, buren, vrienden en bekenden, zieken, gezonden, kleinen en groten… Tot elk van je reisgenoten verhoud je je op een bepaalde manier. Bewust kijken naar de manier waarop je dat zelf doet en hoe anderen dat doen kan heel openbarend zijn. Ook boeiend om zelf eens op een andere manier naar nieuwkomers te kijken, of juist bekenden anders te benaderen dan je gewend bent..

We zijn deze morgen de laatste vertrekkers. We moeten wachten op de bus die pas om 10.15 uur vertrekt. Het winkeltje, in een kamer achter de caféruimte is vandaag niet open. We wachten op een bankje bij een klein parkje waar gyminstrumenten voor algemeen gebruik staan opgesteld. Een wat oudere man komt dichterbij, zet zijn tas neer en klimt ongeneerd op een apparaat, maakt zwaaiende bewegingen. Is het voor de heup, vraag ik me af. Dan kan ik dat ook wel eens proberen. Het gaat heel lekker. Worden als kinderen? Ik heb er geen moeite mee en de oude man die het voorbeeld gaf, blijkbaar ook niet (typisch dat ik de man ‘oud’ noem, terwijl ik mijzelf niet als oud beleef en misschien wel dezelfde leeftijd heb).

De bus rijdt vlot, we laten het landschap aan ons voorbijgaan, zo’n totaal andere ervaring dan wanneer je te voet over de binnenwegen wandelt. Het gebeurt aan ons, en we laten het gebeuren. Onze gedachten zoeven eveneens door ons heen en aan ons voorbij. Hoe verschillend van onze eigen planning kan een tocht verlopen. De bus stopt in Santiago-Zuid. Er zijn herstelwerkzaamheden aan de weg. We oriënteren ons. De weg naar het centrum is snel gevonden. Eigenlijk zou het binnenkomen in Santiago iets feestelijks moeten hebben, maar zo voelt het niet. Ook gaan we niet meteen naar de kathedraal, zoals je van pelgrims zou verwachten. Het gaat ons nu alleen om praktische zaken, de rest komt nog wel. Nu eerst naar het toeristenbureau. We krijgen een plattegrond, leggen de bus vast voor de terugreis naar Madrid (pas over tien dagen). Reserveren tevens voor de laatste dag een slaapplaats dichtbij het busstation. Tot slot nog inchequen voor de vliegreis. Dat kan in het internetcafé. Alles is nu geregeld. Het is inmiddels middag. We eten ergens een warme hap en met de plattegrond in de hand trekken we op naar het seminario, onze overnachtingsplaats. Het ligt hoog in de stad.
Het seminario is een enorm gebouw met zeer brede trappen en veel grote slaapzalen. We moeten naar de derde verdieping. Gelukkig geen stapelbedden, zoals in bijna alle herbergen. Hier staan bedden aan weerszijden of op andere plaatsen enkele rijen. We installeren ons, hebben per bed een kastje dat op slot kan. Míjn slot werkt niet. Diny blijft hier als ik wat later op verkenning uitga en de naburige winkeltjes ontdek voor etenswaren. De keuken, even kolossaal als de rest, is helemaal beneden, dus nog een trap erbij om af en weer op te gaan. Ook zonder bergen mogen we onze spieren lenig houden. We ontmoeten er nieuwe pelgrims, een Oostenrijker die alleen reist en twee Denen. Ook een gedienstige Ier die ons wat van zijn etenswaar aanbiedt. Later nog veel anderen. Aan de eetgewoontes kunnen we soms de nationaliteit al raden. Niet altijd, want bijna elke dag een kopje soep en een heerlijke salada mixta, soms met een pasta, en daarna joghurt is niet de gewoonte van iedere Nederlander. Een paar eenvoudige kookpitten kunnen bij toerbeurt gebruikt worden. Het gebeurt allemaal in goede harmonie. De dag van vandaag is voorbij gegaan, zonder noemenswaardige bijzonderheden. Het is een pas op de plaats, een adempauze, met de vraag op de achtergrond hoe we onze resterende dagen gaan invullen. Dat hangt samen met de beperking van Diny’s knie, die nog echt niet wil meewerken. De knie wel te verstaan, aan Diny zal het niet liggen.

We besluiten de dag met op het stoepje van het seminario, met uitzicht op de stad. We werken onze aantekeningen bij en maken onze tekening.

Seminario,
grote zalen, veel trappen,
versierd met smeedwerk

Zo hoog in de stad
op seminariodeur
het pelgrimssymbool

Dinsdag 3 mei, Santiago

l’Esprit du Chemin. De reisgenoten: God

Als openingszin lezen we op het kaartje: Je verwacht het misschien niet, maar je kunt God tegenkomen op je tocht.

Dat is wel een heel bijzondere zin. Onze looptocht is intussen vroeger afgelopen dan we bedoeld hadden, maar onze ‘tocht’ gaat verder, zelfs hier in Santiago. En ook daarna. Vindplaatsen van God? Het antwoord heeft te maken met individuele ervaringen. Soms kom je hem honderdvoudig tegen op de meest vreemde plekken of in buitengewone belevenissen. Andere keren lijkt Hij totaal verdwenen. De plaatsen waar je hem tegenkomt zijn zeker niet afhankelijk van kerken, tempels of moskeeën. Soms vind je hem daar ook weer wel.
Zijn we God tegengekomen op onze tocht? Is Hij onze blijvende Reisgenoot? Die ervaring te mogen hebben zou je mogen beschouwen als een grote genade.

Het dagcitaat is uit het evangelie van Matteüs (18,20):

Waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn ben ik in hun midden.

Dat is een schitterende tekst. We zijn met duizenden onderweg naar Santiago. Enkele mensen kennen we er maar van. Niet iedereen is even religieus of op eenzelfde manier religieus, maar wel horen we bij elkaar, hoe we ook zijn en met welke woorden we onze verbinding met God ook zouden omschrijven. Zijn we samen in zijn naam? In de kerken beleven we dat, maar ook onderweg. Het behoeft niet altijd woorden. Ook in een bus, ook op een lawaaierige straat kan het samengevoel je overkomen. Wie weet hoeveel mensen er op die momenten in gebed zijn. Onbewust verbonden in dezelfde Naam.

Wat zou het een prachtig verjaardagscadeau zijn geweest als Diny’s knie het vandaag weer zou doen. Dat is echter niet het geval. Het is wel een domper op de laatste tien dagen van onze tocht. Maar we laten er ons niet langer dan even door teneerdrukken. Diny gaat luieren (kan ze dat dan?) en ik zoek mijn weg wel. Graag zou Diny gehad hebben dat ik naar Finisterra zou lopen, zoals eigenlijk bedoeld was, en zij zou dan in Santiago op me wachten, vier dagen, maar dat komt in de verste verte niet in me op.

De verjaarspost die ik van deze en gene in mijn rugzak veilig bewaard had, komt voor de dag. En ook meerdere sms’jes. Lieve gebaren van dierbaren. Na het ontbijt ga ik in de naburige bermen op zoek naar een verjaardagsboeketje met allerlei vrolijke kleurtjes. Diny settelt zich buiten bij de kiosk waar ze een rustig plekje vindt, al of niet in de zon, naar believen. Een plekje om brieven te schrijven en te tekenen. Ze wil absolute rust houden om snel weer op de been te kunnen.

Tijdens pelgrimsmis
op een bankje in de zon
in Santiago

Ik daal naar het centrum af. Het is nog wat te vroeg voor de pelgrimsmis. Ik begeef me eerst naar het pelgrimsbureau om voor ons allebei de Compostela af te halen, het certificaat dat je de tocht gelopen hebt. Ik heb de stempelkaart en de pas van Diny ook bij me. Maar wat ik krijg, geen Compostela voor Diny, want ze moet in eigen persoon komen. Ik leg de situatie uit, er wordt iemand anders bijgehaald, er wordt over geredeneerd, dan benaderen ze nog iemand per telefoon, maar de mening blijft onveranderd: nee, het kan niet. Ik voel me boos worden om zoveel bureaucratie. Diny heeft niet alleen dit jaar, maar vele jaren delen van de pelgrimsroute gelopen vanuit vele richtingen, heel veel meer kilometers dan noodzakelijk is voor een Compostela. Ik vouw de stempelkaart open als een lange, lange waaier. Indrukwekkend zoveel stempels als erop staan. (We hebben de kaart meerdere keren een verlengstuk moeten gegeven omdat we ruimte te kort kwamen). Nu ze door mankementen niet zelf naar het bureau kan komen, wordt de Compostela geweigerd. Van de weeromstuit wil ik er ook geen. Ik had haar vandaag op haar verjaardag, zo graag ermee verrast.

Ik loop door naar de kathedraal. Dit zou het hoogtepunt kunnen zijn van de pelgrimstocht die nu volbracht is, maar ik voel er niets bij. Hoe anders is het dan de eerste keer, vijftien jaar geleden, toen ik vanuit Nederland de hele tocht alleen gelopen had. Het voelt nu helemaal niet als een bekroning, niet als een afronding. Het is de gewone gang naar de kathedraal, zoals we ook in andere kerken naar binnen zijn gegaan. En op dit moment is er ook verzet in me om de weigering van de Compostela voor mijn zus. In zich is het geen belangrijk papier, want de tocht is er niet anders om. Die was geweldig. Het gaat ons allebei niet om het papiertje. En toch zit het me dwars. Ik vind het niet eerlijk. Ik probeer mijn aandacht bij de Eucharistieviering te houden zo goed en kwaad als het kan. Ik probeer de weigering ook wel weer los te laten.

Ja, ik bén dankbaar voor wat er was, voor de ervaringen en ontmoetingen, voor de inzichten, voor de vernieuwende gedachten, voor de verbondenheid, voor al het onnoembare. Samen met velen leg ik de hele tocht hier neer, ook het tweede deel waarin we niet meer konden lopen, ook het missen van de voldoening die ermee gepaard had kunnen gaan als we het wel tot een einde hadden kunnen brengen. Alles mag er zijn, zoals het geweest is…

Ik zie Heidi, die nu al aangekomen is. Bijna onbegrijpelijk, zo snel. Na afloop van de viering loopt ze met me mee terug, helemaal omhoog, naar het seminario om Diny te begroeten. Het seminario zie je al vanuit de verte liggen. Vanuit onze slaapzaal zien we het bovenste deel. Ook Heidi slaapt daar. Ze heeft een aparte kamer genomen. Wij wisten niet eens dat dit mogelijk was. We lunchen met wat extra’s en volgen weer hetzelfde patroon: rust voor Diny die zo gauw mogelijk wil functioneren. Ik ga opnieuw op stap, breng een fles wijn mee voor bij het avondeten, een verjaardag moet gevierd worden. We delen van de wijn met de Oostenrijker die in de buurt is en ons een opener heeft bezorgd, al weet hij niet dat Diny jarig is.

Daarna weer op onze plek (op het stoepje van het seminario) om te tekenen.

Jakobus reist door
in pelgrims van deze tijd,
wij horen erbij

Om half tien liggen we in bed.

(Wordt vervolgd)

Woensdag 4 mei: Santiago

l’Esprit du Chemin. De reisgenoten: de heilige

Wie anders dan Jakobus zou onze reisgenoot zijn? We komen hem overal tegen. Op kerken en kathedralen, als een beeld langs de straat, op gebruiksvoorwerpen en op affiches, op stempels en doosjes, in etalages en op schriften…

Jakobus, ik ken hem van Bijbelverhalen en van ikonen, ook van de vele kunstvormen en stapels boeken, waarin hij vernoemd wordt in verband met de pelgrimstochten. Legio afbeeldingen heb ik van hem. Maar, is hij ook werkelijk onze reisgenoot?

We zijn eergisteren aangekomen in Santiago, de stad met zijn naam: San Jago. Eigenlijk zou de eerste gang naar de kathedraal moeten zijn, maar dat liet onze situatie niet toe. Toen ik er later kwam, zag ik dat er herstelwerkzaamheden waren bij het hoofdportaal, Pórtico de la Gloria. Geen hand kon gelegd worden op de voet van de Jakobus die al vele duizenden handen ontvangen heeft, terwijl zijn blik rustig voorwaarts gericht bleef en hij de tijd met al zijn wisselingen trotseerde. Ook na de bouwwerkzaamheden zal hij daar weer onverstoorbaar mee doorgaan.

Wel kunnen pelgrims bij de Jakobus, die boven het hoofdaltaar staat, aan de achterkant langs zijn beeltenis lopen, hun arm erom heen leggen of hem aanraken, een ogenblik verstillen en dan verder gaan, beneden naar de crypte met de schrijn. Het is een kleine rondgang, een kleine pelgrimage, als afsluiting van de grote. Het is een ritueel. Wij hopen dat op een later moment samen te kunnen doen.

En andere heiligen? We komen er meerdere tegen. In de meeste kerken is een Mariabeeld. Ook onbekende heiligen komen we tegen, maar zijn ze onze reisgenoten?

Vandaag hebben we eerst een ander plan. Ons zijn in Santiago is anders gekleurd dan in de gebruikelijke omstandigheden zou zijn geweest. Er is nog een week te gaan en Diny’s knie wil totaal niet vlotten. We gaan nogmaals naar een dokter. Weer een zoektocht. We worden van hot naar haar gestuurd: eerst het Rode Kruis (of was het het Groene?), daarna naar een dokterspost in een ander deel van de stad en ten slotte naar het hospitaal. Formaliteiten en wachten, het hoort er allemaal bij. Gelukkig is er een jonge aardige vrouw die voor ons als tolk meeloopt als we aan de beurt zijn, want ons Spaans is tamelijk gebrekkig en ook deze dokter kent geen Engels. Hij is, op zijn zachtst gezegd, niet direct tegemoetkomend, komt onwillig over. Wat wil je? lijkt hij te zeggen. Zo’n tocht maken op deze leeftijd. Hij kon de pijnplek niet vinden, terwijl Diny toch nauwelijks kon lopen zonder stokken. Uiteindelijk wordt er een specialist bij gehaald en maakt men een foto, maar de situatie blijft hetzelfde: Reposo, stoppen met lopen, sterkere pillen en geen trappen lopen (wij denken aan de vele, vele trappen van het seminario). De foto mag mee naar Nederland. We zijn met dit bezoek niet veel opgeschoten, want ook hier krijgt Diny geen spuit. Zou deze pelgrimage het einde zijn van alle heerlijke tochten die we samen hebben gemaakt?

Nu we toch onderweg zijn, lopen we samen langzaam en voorzichtig door naar de kathedraal (Diny met stokken). We voegen ons in de Mis die al gaande is. Ook andere bekende pelgrims zijn intussen aangekomen. We zijn blij dat we elkaar nog een keer zien, al moeten we nu toch definitief afscheid nemen.

Via een andere weg lopen we terug naar het seminario, met een rustpauze in het park op de helling. Mireille en haar man overnachten op dezelfde plek en gaan door naar Finisterra. Wij willen dat ook, maar, met de bus, het kan niet anders.

Op het grasveldje waar Diny aan het tekenen was, komt de Oostenrijker buurten. Hij nodigt Diny uit om het volgend jaar mee naar Portugal te gaan, maar Diny zegt: Finito!, al hoopt ze van harte, dat ze over een poosje weer beter lopen kan.

Onze haiku’s van deze dag:

De schelp, het symbool
voor Jakobus en pelgrim,
wereldwijd teken

Doorkijk naar de stad:
ingepakte kathedraal,
huizenblokkendoos

We maken ons eten klaar en gaan een van de rugzakken inpakken voor morgen, de andere kan in een kluis, want we komen hier nog terug.

Donderdag 5 mei: Finisterra

l’Esprit du Chemin. De reisgenoten: jezelf

Hoeveel reisgenoten we ook ontmoet hebben, altijd zijn wij het zelf die de ontmoeting ieder op eigen wijze ervaren. We zijn onderweg met onszelf, met onze eigen aard, ons eigen verleden, onze eigen reactie. We ervaren onszelf in de tegenvallers en meevallers, in onze verlangens, in alles wat er in stilte in ons omgaat, in het beroep dat een ander op ons doet of dat wij op een ander doen. Met onszelf zijn we niet alleen nu, maar al een leven lang onderweg.
Zoals onze tocht beweging inhoudt, zo zit er ook beweging in onze verhouding tot onszelf. Groei, stilstand, weerstand, vriendschap met onszelf of juist niet. Ja, we komen onszelf wel tegen onderweg met alle plussen en minnen. We zoeken naar het evenwicht, de balans, de groeimogelijkheden. We vinden, al tastend, misschien telkens opnieuw richting om vernieuwd verder te gaan.

Het dagcitaat luidt:

Sommigen zeggen dat ons leven verloopt als een veertje, dat dwarrelt in de wind. Anderen zeggen: we hebben een bestemming die we moeten vinden en volgen. Misschien is het wel allebei waar.

uit de film Forrest Gump
(over deze zeer gewaardeerde film uit 1995, naar aanleiding van het boek van Winston Groom uit 1985, zijn nadere bijzonderheden te lezen op http://nl.wikipedia.org/wiki/Forrest_Gump)

Een prachtige tocht met de bus langs een totaal andere weg dan de pelgrims te voet afleggen. Meegaand met alle bochten komen we door talloze vissersdorpjes. Er is veel te zien onderweg. Het laatste deel loopt de route langs de Atlantische Oceaan. Als we in Finisterra (ook wel Fisterra genoemd of Finisterre), uit de bus komen worden we bestormd met foldertjes van mensen die graag klanten hebben in hun hostal. Het overdondert ons. We lopen er vandaan, maar een man achtervolgt ons hardnekkig. Hij weet van geen ophouden. Daar gaan we echt niet op in. We mogen, als busreizigers, niet in de pelgrimsherberg. Daar wordt streng over gewaakt. Wij komen terecht bij een vriendelijke vrouw die zich in het geheel niet opdringt. Ze werkt in een winkel aan de hoofdstraat, maar haar huis is elders. Ze loopt met ons mee, een aantal straten verder. We betrekken een rustige kamer. Er is een Franse pelgrim die morgen weer vertrekt. Hij zit juist uitgebreid te eten in de grote keuken. We reserveren meteen voor twee dagen. Als we ontdekken dat er in het vriesvak ijsblokjes liggen gaat Diny meteen haar knie verkoelen. Dat heeft ze al meerdere keren eerder gedaan. Kwaad kan het niet. Of het helpt is een tweede. Dan gaat ze de Oost-indische kers tekenen die, in levendige en warme kleuren, de muur tegenover het raam op wonderlijke wijze opfleurt.

Ik ga op verkenning uit en vind een uitgelezen plekje bij een ruïne van een kasteel, vlak bij het water. Het paadje loopt om de ruïne heen, maar we kunnen wat lager gaan zitten tussen de bloemetjes. Hier zal het beter toeven zijn voor Diny dan alleen op de kamer. Ik ga haar halen.

Te Finisterra:
klotsend water, rotsen en
Oost Indische kers

Zelf trek ik verder, een drie kilometer over de verharde weg naar de vuurtoren, daar waar echt ‘het einde van de wereld is’. Eerst passeer ik nog een beeld van een pelgrim, met de tekst: L’AMORE E L’UNICO PARADISO. Ik dacht bij vluchtige lezing dat er stond dat de liefde de enige weg was naar het paradijs, maar het woord weg stond er niet bij. Als je liefhebt bén je al in het paradijs, of maak je je leven tot paradijs. Zomaar weer een gedachte om mee te nemen, zoals ook die tekst die we eerder op de weg tegenkwamen: Que Dios te acompañe!

Op een rots staat een eenzame schoen, (geen echte). Waarom het er maar één is begrijp ik niet helemaal. Zelf denk ik aan de woorden uit de Lofzang van Zacharias die dagelijks in het getijdengebed gebeden wordt:

…dat we onze voeten mogen richten op de weg die naar vrede leidt.

Onze richting mogen we telkens bijstellen, en ja, dat doen we stap voor stap. Die ene voet is nog zo gek niet. Telkens opnieuw luisterend afstemmen op onze binnenkant om te weten hoe we het vruchtbaarst naar buiten kunnen treden.

Als ik de schoen zie, moet ik ook denken aan de man in Nederland die we het vorig jaar op een slaapadres ontmoetten. Zijn broer was met een vakantieschip hier, vlak voor de kust , de diepte in gezonken. Het was jaren geleden, maar nog droeg hij het leed als een diepe wond. Vrede vinden op de weg die onze voeten te gaan hebben, we hebben er soms een heel leven voor nodig.

Eerder op onze tocht kwamen we een zuil tegen met twee schoenen.

Tekst van het gedicht op de zuil:

PEREGRINO
si te gusta la soledad
si quieres ser protagonista
de este camino
junto a la grandeza
del paisaje y frente
a la dureza de los frios
y los soles,
si quieres que los
atardeceres te arrastren
en sus hondos silencios
y que a las mañanas
los quiebros de la aurora
te agiten el alma…
¡éste es tu camino!
PELGRIM
als je van eenzaamheid houdt,
als je de ster wilt zijn
van deze weg,
samen met de grootsheid
van het landschap
en tegen het barre van de kilte
en de hitte,
als je wilt
dat de avondschemering
je meesleept naar zijn diepe stiltes
en dat in de ochtenden
het aanbreken van de dageraad
jouw ziel beroert…
dan is dit je weg!

(Vertaling: Cernille Ruiter)

De zinnetjes die in ons weerklinken zijn: grootsheid van het landschap, diepe stiltes, jouw ziel beroert…, ja dat alles behoorde en behoort bij onze weg.

Op het einde van de wereld vinden we – we zouden niet anders verwachten – ook een kruis. De voet waarop het kruis staat is ‘gedecoreerd’ met kleren van mensen die ze hier achtergelaten hebben. Kleding van mensen die opnieuw willen beginnen met hun leven vanuit de inspiratie van de tocht. Een symbolische daad. Het staat wel heel rommelig bij dat hoge kruis, maar misschien hebben deze pelgrims er heel veel aan beleefd.

Wat verderop is een vredespaal opgericht met de woorden: May Peace Prevail On Earth, de eerste vredespaal in Spanje. Hier bij Finisterra (met het heidens verleden) is dit universeel symbool geplaatst, (los van de Santiagoverering). Het is te herkennen door ieder mens, heiden, christen, boeddhist, moslim of ‘niets’, want vrede, daar verlangt elk mens naar. En niet alleen verlángt elk mens ernaar, maar elk mens is ook geroepen en in staat om vrede te schénken.

Langzaam loop ik terug, vervuld van een paradijselijk gevoel. Diny heeft zich niet verveeld, heeft genoten van de plek tussen de vele bloemetjes, met zicht op de palmbomen en de oceaan. We genieten nog even na. Er landt een meeuw op de rots, heel dichtbij.

Einde van wereld
én oneindige golfslag,
een meeuw landt op rots

Via de supermercado gaan we terug naar ons adres om wat eten klaar te maken. Er is een Hongaars meisje aangekomen, die rap Engels praat. Ze heeft behoefte aan contact. Haar kamer is ongezellig en donker. Er zit geen raam in. Maar in de keuken is het wel fijn licht en er staat een grote tafel.

Tot slot van de dag loop ik nog naar een schelpenstrand: Praia do Mar de Fora. Het is veel, veel verder dan het lijkt op ons kaartje. Wel mooi en heel stil, maar ik wil toch weer spoedig terug om te voorkomen dat Diny ongerust wordt.

Vrijdag 6 mei: Finisterra

l’Esprit du Chemin. De aankomst

Onze pelgrimstocht is nog niet echt afgelopen. De vragen die bij dit kaartje horen bewaren we nog even, hoewel we er al wel over na kunnen denken. Hebben we ons doel bereikt? Wilden we wel een doel bereiken? Het doel was meer dan ‘in Santiago aankomen’, al wilden we er wel aankomen. Dit meer is niet helemaal te omschrijven. Is de tocht mislukt omdat die anders liep dan we bedoelden? Dat zeker niet. Iets dergelijks beschreef ik het vorig jaar in het artikel Quo Vadis?. Ook als de tocht anders loopt, blijft het je tocht, of wordt het zelfs nog meer een tocht. Het is de weg naar het omgaan met datgene wat niet met eigen planning te maken heeft. Zo gaat het in het hele leven. Het accepteren van ons onvermogen om de tocht te voet tot het einde toe af te leggen was een oefening, waarvan we profijt kunnen hebben in ons gewone leven.

Het dagcitaat is van de Dalai Lama (volgens het kaartje is dit citaat echter van Boeddha, misschien van de ‘Boeddha’ in de Dalai Lama):

Er is geen weg naar het geluk; geluk is de weg.

Na het ontbijt nemen we afscheid van Susa, het Hongaarse meisje. Wijzelf maken ons op om richting schelpenstrand nummer twee te gaan: Praia de Langosteira. Voor Diny is het te ver. Ze loopt een stukje mee en vindt een bankje waar ze rustig kan zitten. Ik vind het verlaten strand en zoek naar de Jakobsschelp. Ik vind er geen, wel allerlei andere schelpen. Ik neem er wat mee.

Geschenk van de zee
op strand van Finisterra,
een herinnering

Als ik terugkom blijkt Diny verhuisd te zijn naar een andere plek, maar ik vind haar al gauw. We vertrekken naar ons dierbare plekje bij de ruïne, vlak bij de golven die de stilte klotsend begeleiden, niet doorbreken.

We hebben een probleem. De mobiel is al een paar dagen kapot. Vinden we hier een adres waar men deze kan repareren? Ik zal erop uit moeten gaan. We willen graag bereikbaar blijven. In de winkel kunnen ze ons niet helpen. Ze sturen ons naar de naburige, grotere stad Cee. Daar gaan we dan morgen wel heen.

Ik wil in mijn uppie nu nog een tocht maken naar de kluis van Guillerme (5e eeuw). Diny geeft me nootjes en pasas mee (rozijnen). Het is een flinke klim en een eenzame weg, superstil en verlaten. Gek dat je met even lopen in betrekkelijk korte tijd zo ver van de bewoonde wereld vandaan kunt zijn. Ik klauter gestadig verder omhoog. De gewezen kluis is nauwelijks meer als kluis te herkennen. Het zijn wat schamele resten, waarschijnlijk is er een reconstructie gemaakt. Hier zou Guillerme gepredikt hebben tegen de heidense rituelen van de Druïden. Vlakbij ligt de Ara Solis, de plek waar de Druïden bijeenkwamen. Prediking over het Licht van de wereld, Christus, zou de heidenen hun geloof in de vruchtbare krachten van de Ara Solis van richting kunnen doen veranderen. Er gaat het verhaal dat ook Jakobus hier gepreekt zou hebben. De plaats van de hermitage ligt boven op de berg, een punt hoog boven de Atlantische oceaan verheven. Een prachtig uitzicht, dat wel, maar hier prediken? Voor wie? Er is geen mens in de wijde, wijde omtrek.

Terug naar Diny, die nog zit te genieten. Ik haal inlichtingen over de bus naar Cee en naar Muxía. Het kost allemaal nogal wat tijd. Diny is intussen, zoals afgesproken, al op weg gegaan naar de vuurtoren, de Faro, drie kilometer verder. Ze wil dat einde van de wereld ook wel eens zien en beleven. Ze gaat in haar eigen tempo, heel langzaam, met stokken. Ik heb veel tijd nodig gehad voor het inwinnen van alle informatie en haal haar niet meer in. Ze zit, op een hoger gelegen deel, op de uitkijk. Samen zoeken we een plek op, van de weg vandaan, en met zicht op de weidsheid van de oceaan.

Opgeklommen tot
de Faro, zittend op rots,
stilleven, heel stil

Mijn plekje aan zee,
een meeuw, de zon en de zee:
ongekende rust

Wiegend in de wind,
al zaaddragend voor toekomst,
stevig geworteld

Het is intens stil hier, en mooi, we ademen de sfeer in, zien de oceaan voor ons liggen, worden erdoor in beslag genomen, praten niet of nauwelijks en willen eigenlijk helemaal niet meer weg. Het einde van de tocht nadert. We verankeren hetgeen we hier voelen in ons binnenste.

Na uren moeten we toch weer opstappen. Wat verderop staat een kraampje, maar toeristen zijn er niet. Het is al ver in de namiddag. Wij kopen allebei een armband als herinnering. Diny laat ergens de versleten binnenkant van haar kniebanden achter. Uit de verte zien we dat iemand anders iets van haar kleding in brand steekt. De vlammetjes krinkelen omhoog en de ‘gedaante’ van het kledingstuk verandert.

We dalen af naar de bewoonde wereld. Diny heel langzaam. Bij de kerk, die op de terugweg ligt, vlak voordat er weer huizen staan, zullen we elkaar weer zien. Vanavond is er een Eucharistieviering. We dachten om zeven uur, maar het werd acht. De kerk was meer dan vol. De mensen die er niet in konden, bleven voor de open deuren staan. Deze toeloop had te maken met een avondwake, begrepen we al gauw. De meeste mensen waren in het zwart, de dames keurig gekleed en gekapt. Er werd met hart en ziel gezongen. Door de drukte hebben we achteraf het bijzondere kruis gemist: Christo da Barba Dourada (Christus met de gouden baard). Het kan ook in de ander kerk hangen (Nosa Señora do Bon Suceso, parochiekerk uit de 18e eeuw). Er bestaan legendes rond dit kruisbeeld. Het zou door Nicodemus en Jozef van Arimathea geschilderd zijn. De meest opzienbarende verhalen doen de ronde. Onder andere dat mensen het lichaam hadden zien ademhalen en dat de baard gegroeid zou zijn.

We maken nog een foto van een oud kapiteel in dit intieme kerkje, met de vredige en kleurrijke Jakobus die wel wat al te chique kleren draagt om een pelgrimstocht te hebben gemaakt.

‘Thuis’gekomen koelt Diny haar knieën weer met ijsblokjes en ik ga voor een laatste keer omhoog, richting Faro, om de zonsondergang mee te maken: weer drie kilometer heen en ook drie terug. Ik ben eigenlijk net te laat, maar zittend op de rots in de steeds donkerder wordende avond kijk ik naar de zich veranderende lucht. Telkens een verschuiving van kleuren, nieuw te bewonderen schoonheid, warmer en echter dan welk schilderij ook.

Het wordt kil buiten, maar deze plek is als een magneet die me niet los wil laten. Half elf ben ik pas terug. Diny ligt al lang in bed.

Zaterdag 7 mei: Finisterra – (Cee) – Santiago

l’Esprit du Chemin. De thuiskomst: de terugreis

Bewust afscheid nemen van onze tocht, daar gaan de vragen op het kaartje over. Omdat we alles in een langzamer tempo hebben gedaan en de dagen minder vermoeiend waren, kreeg het afscheid al een beetje gestalte vanaf de dag dat we met de bus verder moesten. Niet alleen het afscheid van deze tocht, maar misschien wel van alle tochten die we samen gemaakt hebben. Afscheid nemen is niet iets van een moment. Het mag tijd krijgen. Gisteren, daar boven bij Finisterra, waren het wel uren van afscheid, al gaan we misschien nog naar Muxía en zeker ook naar Santiago, waar we een paar nachten moeten blijven voordat we in Madrid het vliegtuig nemen.

In feite hoort de sfeer van Finisterra meer bij me dan die van Santiago. Ook de Jakobus van Finisterra staat me meer aan dan de Jakobus van Santiago boven het hoofdaltaar. In Finisterra is het gemakkelijker om stil te worden en dicht bij mijn eigen bron te blijven. In Santiago is het druk. Ik houd niet van de stad met zoveel afleidende zaken om me heen. Hoe vol het er ook is, het klinkt soms in mijn oren als een leeg huis. Daarmee wil ik niet zeggen dat Santiago geen enorme rijkdommen bevat die zeker de moeite waard zijn om te bekijken. Vandaag laten we Finisterra los, althans, we nemen er afscheid van. We hebben ons ermee verbonden, maar laten weer los. Dat is de  strekking van het dagcitaat:

Verbinden en loslaten: de hartslag van het leven.

Op ons gemak ontbeten, we hebben uren de tijd voordat de bus naar Cee vertrekt. Om tien uur moeten we hier uit het huis zijn, om twaalf uur gaat de bus pas. We pakken de rugzak in en lopen ergens een mooie winkel binnen. Kijken, zonder te kopen. Wachten, esperar. De bus brengt ons naar Cee, waar we de winkel vinden die onze mobiel nakijkt. Versleten werk. Kapot. Een nieuwe koop ik liever in Nederland. Hier zullen we via de gewone telefoon contact met het ‘thuisfront’ moeten maken.

Mobiel zijn of niet
met knie en apparatuur,
’t is niet eenvoudig

Als we naar de bushalte teruggaan, horen we dat de laatste bus naar Muxía juist weg is. Ook dat gaat aan onze neus voorbij. We willen een hapje eten in het klein cafeetje bij de bushalte. De man heeft geen zin om de gekozen tortilla te maken en prijst vurig zijn calamaris (inktvis) aan, maar ik ben niet gesteld op die lekkernij. Even later komt hij met calamaris langs om aanschouwelijk te maken wat hij bedoelt, maar we blijven bij ons besluit. Hij begrijpt niet hoe we tortilla kunnen verkiezen boven het lekkerste van het lekkerste. Maar we krijgen uiteindelijke toch een heerlijke tortilla met bijzonder lekker brood.

Van Fin de terra
weer t’rug naar ’t seminarie,
weg met tentakels

Op naar Santiago. Bij de receptie van het seminario worden we herkend. Ook zijn er enkele andere pelgrims die nog of wéér in Santiago zijn. Ik wil een mail versturen, in plaats van bellen, maar het lukt niet. Later probeert de concierge me te helpen, maar ondanks zijn aanwijzingen wil het niet lukken. Ook een Braziliaan die ons wil helpen, krijgt het niet klaar.

We maken ons eten klaar in de keukenhoek die zich opzij in de grote eetzaal bevindt. We halen de opgeborgen rugzak uit de kluis en zoeken onze slaapplek op. Morgen willen we in elk geval naar de kathedraal. Het is intussen gaan regenen. Prima, als de regen in de nacht valt.

Zondag, 8 mei: Santiago

l’Esprit du Chemin. De thuiskomst

We lopen nog niet vooruit op onze thuiskomst. Hebben ondervonden hoe heerlijk het is om dag voor dag te leven.

Het dagcitaat luidt:

Inzicht zonder handeling, geeft geen verandering.

Van wie het citaat is, staat er niet bij. In elk geval gaat die persoon ervan uit dat er nieuwe inzichten ontstaan zijn, die pas vruchtbaar worden als we ze in de praktijk van ons leven mee gaan nemen. Dat is een wijze uitspraak.

Uitgeslapen, ontbeten en een mini-wasje gedaan. Dan lopen we langzaam naar beneden, naar de stad. Het regent wat. Bij het toeristenbureau kopen we een telefoonkaart, maar die werkt niet op de manier waarop wij het proberen. We gaan naar de Eucharistieviering in de overvolle kathedraal. Er wordt plaats voor ons gemaakt (zien we er dan zo oud uit?). Vandaag wordt ook de botafumeiro, het enorme wierookvat gebruikt. Het maakt op mij geen indruk, juist niet vanwege het spectaculaire. Een wierookvat hoort wel in de kerk, maar een show past er niet in. Het mammoetvat diende er in de middeleeuwen voor om de stank van de duizenden pelgrims te verdoezelen. Vandaag de dag kan dat in elk geval de reden niet meer zijn. Bijna elke albergue heeft een douche, vaak zelfs meerdere.

Botafumeiro,
eerbetoon, maar voor wie dan?
Voor God of mensen?

De zang wordt gestimuleerd door een zuster die de hele kerk meekrijgt. Er wordt prachtig gezongen. Dat doet goed. Daar kunnen we nog wat van leren. Van de preek verstaan we niets. Het gaat allemaal zo supersnel. Maar het geheel van de viering is indrukwekkend. Het aantal aangekomen pelgrims per land wordt voorgelezen. Dat maakt op mij geen indruk. Ik krijg de indruk dat de persoon die het voorleest geen enkele pelgrim van die hele rij gesproken heeft.

Nu gaan we samen doen, wat we nog steeds uitgesteld hebben: onze mini-pelgrimage maken om het beeld van Jakobus: achter het altaar omhoog klimmen, langs de rug van Jakobus lopen, dan via de trap aan de andere kant weer omlaag en vervolgens naar de crypte, weer via een trap omlaag, even een stil moment bij de zilveren schrijn met de stoffelijke resten van Jakobus, en aan de andere kant omhoog. Eenrichtingverkeer. Er staat een lange rij wachtenden. Een touw zorgt ervoor dat het wel een rij móet worden, zonder gedrang. We voegen ons in de stroom, doen mee met de duizenden en duizenden die voor ons deze pelgrimage maakten. Het zijn lang niet allemaal pelgrims in de gebruikelijke zin van het woord, zien we. Wij kunnen niet inschatten wat de motivaties van al die anderen zijn. We hebben alleen te maken met de onze, die we in ons binnenste bewaren. Ik leg nu de tweede maal in mijn leven een arm om Jacobus, ik blijf even staan en leg de hele tocht in dat ene ogenblik, een moment van ontroering, toch. Dan loop ik verstild door, achter de rij aan, naar de crypte. Het is er donker, ik herken de plek en de rijk versierde schrijn. Vijftien jaar geleden was ik er ook. Toen heb ik geknield op de bank die  nog even geduldig staat te wachten. Als een bank kon spreken…
De crypte ligt onder het hoofdaltaar. Eeuwenlang zijn hier de overblijfselen van Jakobus, samen met die van nog twee van zijn leerlingen bewaard in een marmeren sarcofaag. In 1886 zijn de stoffelijke resten van Jakobus overgeplaatst naar de rijk versierde zilveren schrijn, waarin ze nu nog bewaard worden. De huidige crypte is groter dan de normale middeleeuwse, romaanse grafkelders. In het jaar 1891 heeft men deze, omwille van de grote volkstoeloop, vergroot.

De dag brengen we rustig door. Geen bijzonderheden. Nogmaals proberen we te bellen in de telefooncel vlakbij. Het lukt weer niet. De concierge sluit even zijn kantoortje af en komt ons helpen. Aardig.

Lopen is niet al te best voor de knieën van Diny, dus toch maar weer: reposo. We koken ons potje, en we tekenen wat. Gisteren hebben we Muxía gemist. Daar zou een genezende steen zijn, pech voor Diny dat we er niet waren.

Muxía gemist,
niet om steen der geneeskracht,
dat is ‘muy mala’

Maandag 9 mei: Santiago

Vroeg boodschappen gedaan en daarna ontbeten. We zitten buiten bij de kiosk met uitzicht op de stad. Wij maken een keuze uit de musea die we nog willen zien, vandaag of morgen, maar sommige ‘musea’ zijn galeries. Bijna nergens kunnen we terecht.

Voordat we waar dan ook gaan kijken, probeert Diny haar compostela te halen, het bewijs dat ze de tocht echt voldoende kilometers gelopen heeft. Nu ze in eigen persoon aanwezig is, maakt men er geen probleem van. Ze heeft dat getuigschrift – het ziet er uit als een diploma, – dubbel en dwars verdiend na jaren vele, vele kilometers van allerlei Santiago-routes gelopen te hebben.

We doen wat kleine inkopen, ontdekken leuke winkeltjes, kopen een cadeautje voor deze en gene en lopen langs wat galeries en musea. Lunchen doen we in een groot park. En dan zoeken we een fijn plekje op om wat te tekenen, ver van de drukte vandaan.

De zussen shoppen,
een ‘present’ en ‘in the end’
de rust van het park

Bij een kunststuk:
Het kruis geen einde,
maar geopend naar het licht:
pelgrimssymboliek

Achteraf weet ik niet meer of we op deze dag, of een andere in een bepaald museum zijn geweest. De indrukken volgen elkaar zo snel op. We waren in een museum met moderne kunst. In een grote ruimte stond een schoolbank met de uitnodiging daar een schriftje te pakken en spontaan te schrijven wat er in je opkwam. Er lagen, naast de schoolbank op de grond, stapels schriften waar al in geschreven was. Toen ik een paar schriftjes opensloeg om te kijken wat, en in welke taal, er zoal geschreven was, snelde er een bewaakster van het museum naar me toe. De inhoud van de nog bijna lege schriftjes mocht niet bekeken worden door bezoekers. Die behoorde toe aan het museum. Deze bank, met de hele opstelling en functie, was bedoeld als museumobject. Ik pakte de pen en schreef wat me op dat moment ingegeven werd, ik weet niet meer wat. Nu behoort ‘mijn’ tekst in het schriftje tot het bezit van het museum. Eén pagina.

De dag is snel voorbij. Morgen verlaten we het seminario, we moeten om tien uur weg zijn. De laatste nacht slapen we dichter bij de bushalte, in La Roda. De hotelhouder spreekt een beetje Nederlands, heeft er vroeger een tijdje gewerkt, meen ik. Vanuit de herberg zullen we de rugzakken morgen meteen wegbrengen, zodat we onbelast de dag door kunnen brengen.

Dinsdag,10 mei: Santiago

Alles ingepakt, ontbeten, rugzakken weggebracht en op zoek naar het Arbiretum. Met onze plattegrond vinden we het. Het is ruim aangelegd, een heuvelend landschap, heel groot, maar zonder bankjes om te zitten. Veel struiken en bomen, ruimte tussen de verschillende delen, hier en daar een laantje. We zijn er helemaal alleen. Te lang lopen kunnen we niet, want Diny moet haar knieën sparen. Dichtbij de Domingokerk vinden we uiteindelijk een parkje waar nog bankjes vrij zijn. Niet direct een rustige plek, want er zijn veel oude mannetjes die al een glaasje te veel op hebben en met stemverheffing spreken, maar er zijn er ook die het wat rustiger doen.

Al converserend
zitten de twee mannetjes
de tijd te doden

De plek is tevens onrustig vanwege het verkeer. We zitten dicht bij de winkels, het verkeer, het geroezemoes van de dingen van de dag. Ik koop lekker brood en Santiagokoek, plus wat andere etenswaar, mede voor morgen in de bus, want het is een lange reis naar Madrid. We klimmen rustig op naar het grotere park, richting seminario (daar hoeven we niet meer te zijn). Halverwege vleien we ons op het gras, kijken naar de lucht en genieten van de zon die zich van de beste kant laat zien en voelen. De vogels jubelen het uit. Dat was het slotakkoord.
En dan naar ons laatste adres: La Roda. De vrouw helpt eerst haar klanten en brengt ons dan naar onze kamer. Duf, en tamelijk klein, maar goed genoeg voor de nacht. We rekenen meteen af en willen weten of er morgen geen deuren vergrendeld zijn. Alles is in orde. We kunnen rustig gaan slapen.

Woensdag 11mei – (donderdag 12 mei): Santiago – Madrid – Maashees

We zijn ruim op tijd bij de bus (Alsa). Een bus met veel voorzieningen. Er is zelfs een toilet in de bus. Laura, een  jonge vrouw, heeft de taak ons vele keren te verwennen met een hapje, een drankje, een lekkernij, nootjes, bonbons, water of een verfrissend doekje. Ze is vriendelijk en behulpzaam, spreekt een beetje Engels.
Het landschap gaat aan ons voorbij. Nu eens mist, dan weer zon, door tunnels, over hoogtes, over vlaktes, langs windmolens die hun eeuwig ritme draaien. Een prima chauffeur loodst ons overal doorheen. Wij praten wat, halen herinneringen op, genieten van wat er te zien is, suffen af en toe ook even weg. Het lijkt wel of de bus vleugels heeft. We hoeven niets doen. Toch zijn we na acht uur reizen in Madrid, exact op de geplande aankomsttijd. Daar vinden we al snel de metro, waarmee we een uur moeten reizen. We blijken wel iets te ver gegaan te zijn, maar kunnen het laatste stukje weer terug met de shuttlebus die ervoor klaarstaat.

Op het vliegveld blijkt de informatie op de borden niet te kloppen, want pas op het uiterste nippertje ontdekken we, samen met Turkse mensen, dat we verkeerd zitten. Er zijn vertrekplaatsen van sommige vliegtuigen veranderd.

Waar moeten we zijn?
De monitor geeft het aan,
onjuiste info

Als we uiteindelijk in het juiste vliegtuig zitten komt er weer een kink in de kabel. Er is een defect aan de staart. Weer eruit en naar een ander vliegtuig.

Terug naar ons land
Ryanair ‘verlegt’ de tijd:
veiligheid gaat voor
Uiteindelijk komen we heel veel later dan gepland – het is intussen al 12 mei – in Weeze aan, waar Pieter en Tiny ons ophalen. Ook zij hebben de tijd met wachten door moeten brengen, maar brengen ons veilig thuis, waar het bed ons wacht.

Donderdag 12 mei: Maashees – Megen

l’Esprit du Chemin: De thuiskomst: de weg gaat verder

Niet alleen voor mij van Maashees naar Megen, maar ook voor ons allebei gaat de weg verder. Hoe we in de praktische zin verder gaan weten we nog niet. Of we nog samen kunnen wandelen blijft voorlopig een vraag, waarop we nog geen antwoord hebben. Met wat geduld zal het duidelijk worden.

Behalve het verdergaan van de uiterlijke pelgrimages, is er natuurlijk ook een ontwikkeling in hetgeen de weg ons gedaan heeft. Welke ‘blijvende’ invloed heeft de weg op ons gehad? Ook wat dit betreft houden we het bij vragen, zonder er al antwoorden op te willen of kunnen geven.

Het citaat van deze laatste kaart zegt:

Waar je ook heengaat, je neemt altijd jezelf mee.

Dag Hammerskjöld zegt: De langste reis is de reis naar binnen.


Met die reis zijn we nooit klaar.

Hoe het ook zij, reizen, pelgrimeren, trekken mag nooit een vlucht zijn voor gebeurtenissen in ons eigen leven, en zeker geen vlucht voor onszelf. De tocht heeft ons juist dichter bij onszelf gebracht, mogen we hopen. Dichter ook bij anderen, die ons van dichtbij of veraf omringden, dichter ook bij de Ene die ons, al pelgrimerend, naar ons einddoel ‘trekt’. Ons einddoel, dat bij elke pelgrimage niet alleen dichterbij komt, maar ook tastbaarder wordt.

Zoals we, met een hart vol dankbaarheid, onze eerste dag begonnen, zo eindigen we met een hart vol dankbaarheid nu de laatste dag zijn einde heeft gekregen. Dankbaar zijn we voor het feit dat we deze tocht samen hebben mogen beleven en volbrengen. Ook dankbaar voor alle vroegere tochten, die we al vele jaren met elkaar hebben mogen maken.

Pelgrim ben ik
wandelend door de tijd,
de levenstijd.
Ultreya is mijn woord,
mijn slagzin,
altijd verdergaan,
gedreven door de Geest,
waarheen, waartoe?
eeuwige vragen
die, al pelgrimerend,
openblijven,
open voor het geheim!

Ultreya, gáán,

met de zegen in de rug,

niet omkijken, nee voortgaan.
¡Ultreya*,
Deus aia nos!


(*De betekenis van Ultreya, Deus aia nos is beschreven in het artikel Quo Vadis, ook op deze site).

Graag ontvangen we reacties via ons mailadres info@stilleretraites.nl. Wat vruchtbaar of aanvullend kan zijn voor anderen kunnen we plaatsen op de pagina ‘Reacties op pelgrimeren.’ (Wie de eigen reactie liever niet, of maar voor een deel, geplaatst wil zien, kan dat tevoren even aangeven).

Reacties op het Verslag van de Ruta de la Plata vind je op Reacties op pelgrimeren