Verslag van een pelgrimstocht: Ruta de la Plata – deel 2

Vervolg van deel 1

Zondag 24 april, Pasen: Mombuey – Puebla de Sanabria (31 km)

Pasen of niet, pelgrims wandelen elke dag, ze mogen geen twee nachten in dezelfde herberg verblijven. Altijd gaat de stroom door. Elke dag wordt er ruimte voor nieuwe mensen gemaakt. Elke dag wordt de herberg schoongemaakt, soms heel goed, soms wat minder goed. Om de schoonmakers de ruimte te geven, behoren pelgrims bijtijds te vertrekken. Wachten op een viering betekent dat de dag daar een eind mee heen is, want de zondagsviering is veelal pas rond twaalven. Daarna nog vertrekken is wel heel laat om, bij een lange afstand, toch zonder haast op weg te gaan en niet al te laat aan te komen.

Gelukkig hebben we gisterenavond een mooie Paaswake mee mogen maken.

l’Esprit du Chemin. Het thema van vandaag is Gastvrijheid. Momenteel zijn we vreemdelingen in Spanje. Pelgrim betekent vreemdeling. Als vreemdeling ben je mede afhankelijk van de gastvrijheid die men in het gastland biedt.
Bijbels gezien zijn we ook vreemdelingen, onderweg naar de uiteindelijke werkelijkheid. In het land van de Bijbel staat gastvrijheid hoog aangeschreven. Ook in het huidige Spanje voelen we ons welkom. De steeds groeiende toeloop van pelgrims heeft het bewustzijn in veel Spanjaarden wakker geroepen dat ook zij een verantwoordelijkheid hebben ten opzichte van de pelgrims. Ze creëren allerlei voorzieningen om de pelgrims tegemoet te komen, zowel vanuit hogere instanties, als particulier. We zijn blij met de herbergen, maar ons hart gaat sneller kloppen als we door de individuele Spanjaarden die we ontmoeten, hartelijk begroet worden. Ze willen ons graag daadwerkelijk nabij zijn. Dat tonen ze in kleine attenties, in een uitnodiging om iets te drinken, in een toegestopte vrucht, in het wijzen van de weg of het attent maken op bijzondere zaken of gewoontes enzovoort.

Het citaat van vandaag is van Anselm Grün:
Open mensen zijn een zegen voor ons. Bij hen in de buurt kunnen wij ons ook openen. Hun oprechtheid doet goed.

Het valt ons op dat de Spanjaarden zo open en vriendelijk zijn, werkelijk behulpzaam ook, en gastvrij. Maar, als we vandaag verdwalen – en dat doen we – is er geen mens in de buurt om ons op het goede pad te brengen. Waar niemand is, kan er ook niemand behulpzaam zijn. De oorzaak van onze verdwaling is de aanleg van een kilometerslange nieuwe weg. Telkens twijfelen we, gaan weer een stukje zoekend terug. Geen huizen te bekennen, geen mensen, geen tekens. We moeten met ons gezonde verstand en met het kompas er zelf uit zien te komen. We blijven zoeken naar de tekens die er echt niet meer staan. De naam van de grote weg die wat verderop loopt, moeten we proberen te achterhalen, dus we gaan die richting in, hebben nu enig houvast.

En we struinen verder, door natte graspaadjes langs de afrastering, maken bij een onderdoorgang telkens weer een omweggetje om verder te kunnen. Het kost ons totaal 2,5 uur voordat we eindelijk bij een onderdoorgang de naam van een dorp ontdekken, een dorp dat aan onze route ligt: Cernadilla. Hier zien we dat we het eerste dorp, Valdemerilla, gemist hebben. Niet erg. We zijn weer op de route.

Dwalen en gissen,
met overleg en inzicht
tot Cernadilla

Wat verder rusten we op een bankje en worden ingehaald door het Italiaanse echtpaar: Mireille en haar man. We stappen op en nu zijn wíj het die hén passeren. In San Salvador de Palzuelo is een Jakobskerk. Je zou de klokkentoren kunnen beklimmen en een mooi uitzicht hebben op het stuwmeer, maar we sparen onze energie. Die hebben we nog hard nodig.

In een volgend dorp, Entrepeñas, treffen we het. Daar horen we zingen vanuit een kerk. De deur staat uitnodigend open. Ook hier: gastvrijheid. We gaan naar binnen en merken dat de viering al wel bijna uit is, maar we verbinden ons van harte met de biddende gemeenschap op deze dag van vernieuwing, van vreugde, van overwinning. Wat beschroomd om onze late komst, sluiten we toch meteen aan in de rij die in beweging is naar voren om te communiceren.

Vernieuwd is ‘t leven
in liturgie en natuur,
het is nu Pasen!

Dat we juist op dit moment bij die kerk aankwamen, al was het ‘te laat’, is een geschenk op deze mooie en moeilijke, avontuurlijke paasdag. Het avontuur gaat nog even door. Er komen veel modderpaden, al of niet met stapstenen, er zijn nogal wat stijgingen en dalingen, ook wel verrassende uitzichten. Verder moeten we grote delen over harde straatweg. Dat loopt niet prettig. De weg geeft niet mee.

Als we, na een dorp een modderig paadje afdalen staan er op wat hoger gelegen grond, mensen voor hun huis. Ze zijn wat aan het drinken en roepen ons uitnodigend iets toe. We proberen het te verstaan. Of we zin hebben in bier. We hebben liever water. Een jonge knul laat horen dat hij een beetje Engels kent en probeert voorzichtig en wat verlegen enkele woorden met ons te wisselen. De mensen zijn hartelijk, werkelijk gastvrij, (het thema van vandaag). Voordat we vertrekken, worden onze waterflesjes weer gevuld en ze wuiven ons na.

Boodschappen doen we in Asturianus, waarna we, wat hogerop bij een kerk op een windvrij plekje, onze grote pauze houden en de een na de ander zien passeren. Ook ontmoeten we er drie vrouwen die op dezelfde plek van een korte pauze genieten.

In Otero de Sanabria zien we op een kerk een tafereel van het vagevuur of de hel. In de middeleeuwen werd een pelgrimstocht soms opgelegd als boete na een zondig leven. Boete, nadat men in een eerdere fase, tot inkeer was gekomen en de absolutie al ontvangen had.
Maar het was niet zo dat ieder die de weg liep zich al bekeerd had. De voorstelling kon ook een waarschuwing zijn voor de pelgrims. Een waarschuwing om hun leven onder de loep te nemen en zich te bezinnen op hun handel en wandel. Een middeleeuwer zou er een stimulans in kunnen zien om iets goeds van zijn leven te maken, terwijl het voor de huidige mens, althans voor ons, een beeld is, dat ons herinnert aan oude geloofsverkondiging. Ik herinner me het platenboek uit mijn jeugd, waarin kleine stippen stonden voor de kleine zonden en grote stippen voor de doodzonden. In het boek stond ook een plaat met het vagevuur en de hel. Op middeleeuwse kathedralen en in de schilderkunst is dit tafereel op velerlei wijzen uitgedrukt. Wij bekijken de voorstelling toch met andere ogen. We geloven in een God die met mensen begaan is en niemand zomaar verloren laat gaan. Vaak is het leven zelf met de moeilijkheden die erin voorkomen al een grote loutering. Met een vagevuur of hel kunnen we niet zoveel. En zeker vandaag niet op Pasen, het feest van bevrijding uit de banden van de dood.

Als we al een poos op de harde weg lopen (en die eigenlijk erg beu zijn) stopt er een auto. De chauffeur vraagt ons of we problemen hebben. Verwonderd kijken we hem aan. Waaruit zou hij afleiden dat we problemen hebben? We zijn wel moe, maar we lopen toch nog goed. Enfin, het zoveelste vriendelijke gebaar van de gastvrije Spanjaarden. Dat is nog niet alles. Als we bijna Puebla de Sanabria binnenkomen worden we gewenkt door mensen die achter op een parkeerterrein staan. We begrijpen niet waarom ze wenken, maar gaan er naar toe. Ze bieden ons drinken en eten aan, overvloedig, en we krijgen nog van alles mee als we weer vertrekken. Ongelooflijk. De punt hartige taart was wel met iets van vis gevuld, wat ik, op zijn zachtst gezegd, helemaal niet lekker vond, maar dat terzijde. Ik heb het netjes opgegeten. We kregen nog groentetaart mee.

Om half vijf komen we in de mooie herberg aan. Er zijn al veel pelgrims, waarvan er een stel op het grote, betegelde binnenpleintje zitten. De was van mensen die eerder gearriveerd zijn, hangt al vrolijk te wapperen in allerlei maten. De kleurrijke wasknijpers pieken naar boven als vlaggetjes uit verschillende landen. We zien Ronald, Heidi, Mireille en haar man, en de Bask. Ik herinner me niet dat ze ons voorbij gelopen zijn. Zouden er mensen misschien gedeeltelijk met de bus zijn gegaan? We maken kennis met de Nederlandse Helma en een Duitse Helga. De drie dames die we onderweg ontmoetten hebben zich al opgeknapt. De zaal is ongeveer vol, maar er zijn meerdere kamers en zalen. Op de vriendelijke vraag of we een benedenbed willen – dat is in deze ruimte niet voorhanden –, zeggen we graag ja. We worden op onze leeftijd beoordeeld, blijkt wel. Weer zo’n vriendelijk gebaar van die Spanjaarden. De man loodst ons naar een nog onbezette, kleinere kamer met twee stapelbedden (vier slaapplaatsen). We mogen kiezen voor ‘abajo’ (beneden). We gaan douchen en ons wasje doen. Daarna de weg verkennen voor morgen.

ingang van de kerk bij de burcht, Puebla de Sanabria

Er is hier een enorme burcht, die hoog gelegen is, met een oud stadsgedeelte. Na onze lange tocht gaan we toch nog de tamelijk steile trap op om er boven rond te kijken. Daarna de weg nog verkennen, daar voelt Diny niets meer voor. Zo scheiden onze wegen even, maar later blijkt dat we tegelijk thuiskomen. Het was nog niet eenvoudig om de weg terug te vinden. We zijn allebei even lang – echt lang – weggebleven en Diny had het gevoel dat de groep ongerust over ons was. Ik had de juiste toegang tot de vervolgweg niet kunnen vinden, maar Diny had die ontdekt, dus zijn we niet voor niets zo lang weg geweest en kunnen we de burcht morgen overslaan.

Helga en Heidi slapen in de bedden boven ons. Wij hebben geen ontbijt besteld, die mogelijkheid was er wel in het naburig café met dezelfde beheerder. We willen vroeg vertrekken en gaan slapen, terugdenkend en dankend voor de vele tekenen van gastvrijheid vandaag en tijdens de hele tocht.

Maandag 25 april: Puebla de Sanabria – Lubián (32,4 km)

L’Esprit du Chemin: Op reis: de bron

Vandaag gaan we op zoek naar onze bronnen. Soms kom je zo zomaar een waterkraan tegen als je dorst hebt, soms moet je er lang naar zoeken. Maar onder bronnen verstaan we net iets meer dan ‘gewoon’ water. Waar laten we ons tijdens onze tocht door inspireren? Allereerst door de ervaring van het wandelen zelf, het genieten van het moment. Daarin is alles voorhanden.

We krijgen een dergelijk advies van niemand minder dan Thomas Merton. Hij zegt in het dagcitaat:

Een van de belangrijkste elementen in het innerlijk leven is: het vermogen om te reageren op de realiteit, om de waarde en schoonheid van doodgewone dingen te zien, en ons bewust te worden van de grootsheid die overal om ons is.

We wachten af of onze bron vandaag goed gaat stromen. De bron is om ons heen, maar ook stroomt die in ons eigen binnenste.

Om 06.20 uur zijn we op stap. We lopen nogmaals over de rivier de Tera. Tera is de naam die aan veel dorpen die we passeerden, is toegevoegd. (Echt over de rivier lopen we natuurlijk niet, al gebeuren er dagelijks wonderen. Er is hier een brug). De burcht en de oudstad hebben we gisteren al gezien. We draaien er omheen en vinden de toegang naar de autoweg, die we jammergenoeg 2,9 km moeten volgen. Het eigenlijke pad is nauwelijks begaanbaar, heb ik gisteren geconstateerd. Bijna drie km op de harde weg, niet leuk. Dan draaien we af en komen langs een Santiagokerk. Wel weer gesloten. Rust op een bankje, en daar komen de volgende pelgrims al aan die naar een cafeetje gaan. Wij lopen verder. Een dalend paadje. Hoe meer we dalen, des te natter het pad wordt. Er zijn ook hoger gelegen paadjes, maar we weten niet of we dan de route niet verliezen. Manoeuvrerend met de stokken, daarmee telkens tastend naar de vaste grond die niet zichtbaar is, wikkend en wegend op de stapstenen, honderd procent waakzaam bij de glibberige stenen, zo banen we ons een weg. Leuk spannend, maar ook blij als we er weer zonder een nat pak vanaf zijn gekomen. Verderop is de weg onduidelijk en moeten we onze oren spitsen ter oriëntatie, om de auto’s op de autobaan te horen. We lopen in de richting Requeo waar zich een kapel, gewijd aan de maagd van Guadelupe, bevindt. Er zijn in dit langgerekte dorp meerdere bronnen met ongezuiverd water. We kunnen er op eigen risico gebruik van maken, maar we hebben al water bij ons. Hoe we kunnen achterhalen of een ‘bron’ zuiver genoeg is, is een vraag die we niet alleen nu, maar ook op al onze levensgebieden kunnen stellen.

Verder lopend moeten we bergaf. Volgens de beschrijving zitten we vlak bij de Portugese grens, al merken we dat niet. De weggetjes blijven zeer drassig, op sommige plaatsen zijn ze tot riviertjes geworden. Weer herhalen we het stapstenenspelletje. Ik heb er plezier in. Het kind in mij komt weer boven. Of Diny het zo leuk vindt betwijfel ik, maar we kunnen hier niet anders.

Na het dalen moeten we een berg beklimmen. We kunnen kiezen of we door de tunnel gaan of via de Padornelo-pas. We kiezen voor de pas. Een donkere tunnel, daar hebben we geen zin in. Langzaam en gestadig klimmen we de tamelijk steile berg op. Bijna bovenaan missen we een pijl, we zijn aan een pauze toe en vinden, via een zijweggetje, een plekje met schitterend uitzicht. De plaats waar we zitten is als een bron die ons verkwikt. Na de lunch gaan we op zoek naar de fout, want er is wel enige onrust in ons vanwege de gemiste pijl. Wonderlijk genoeg staat er echter ineens een levensgrote, alsof hij er kersvers door een engel is neergezet. De wonderen zijn de wereld niet uit. Onbegrijpelijk dat we deze reusachtige pijl over het hoofd hebben kunnen zien. Deze pas is in zich niet boeiend, al vonden wij, door een toevallige vergissing, een verademend plekje.

Het lopen gaat me nog steeds goed af, maar Diny benijdt de vlindertjes. Dat is een signaal. We nemen, vanwege de lengte van de route, toch een stuk verharde weg, al hebben we daar een hekel aan. Het is korter en natte paden kom je daar niet tegen. Later komen we op een schitterend, maar ook moeizaam stuk, omdat de holle weggetjes op veel plaatsen weer tot riviertjes zijn geworden, en wel over een flinke afstand.

De zware schreden
en de fladderende vlinders,
het grote verschil

De weg wordt tot stroom,
via stapstenen verder,
evenwicht zoekend

En we dalen maar door. Telkens zien we kleine dorpjes liggen en menen er dan spoedig te zijn, maar dan gaan we opnieuw de bocht om, voordat we bij dat dorp uitkomen; op naar het volgende dorp dat ook weer niet het dorp van onze bestemming blijkt te zijn. Wel mooie en verrassende doorkijkjes.

Nog een keer worden we behoed voor verdwaling. Midden op de weg staat er in het zand met heel grote letters geschreven NO. We moeten op dat punt scherp de hoek om. Zonder dat NO zouden we ons wel eens vergist kunnen hebben. Deze ‘engel’ had blijkbaar geen verf meer voor een extra pijl, maar schrijven in het zand komt zelfs in de Bijbel voor, dus de engelen weten er zeker van.

We dalen af naar de Pedro, een riviertje, en daarna weer omhoog. In de verte zien we hogerop een dorpje liggen. Zou dat het zijn? Onze stappen zijn zwaar geworden, maar na enige tijd zien we plotseling een huis, dat midden op de weg lijkt te staan: de albergue op de plaats van onze bestemming.

Een enkele pelgrim is binnen; buiten hangt Helga haar natte was op, een pelgrimsstok staat tegen de muur. De anderen die al aangekomen zijn, zitten nu in het cafeetje om wat te drinken of te eten. Wij maken wat soep en dan ga ik met Helga een boodschap doen, maar de winkel is cerrado, gesloten. Dat konden we weten. De middagpauze is in Spanje uitzonderlijk lang. Helga verdwijnt ook in het café en ik ga op verkenning uit voor morgenvroeg. Diny laat dat met een gerust hart graag aan mij over. ‘s Avonds is de winkel geopend en kunnen we onze boodschappen doen. Naast de winkel staat de eerste mooie wegwijzer. In Galicië is daar op een kunstzinnige en originele wijze vorm aan gegeven. (We komen morgen eigenlijk pas in Galicië). Ons tekenplekje is vandaag uniek. We zitten op de drempel van een gesloten kerk, met boven ons hoofd een afbeelding van de patroonheilige, Mamés geheten. Hij wordt met een leeuw afgebeeld. Wie was deze jonge held? Op internet vinden we, met wat hulp, dat Mamas (zo wordt het daar geschreven) een zoon was van gelovige ouders (Theodotus en Rufina) die, tijdens de christenvervolging in de gevangenis terechtkwamen en uiteindelijk de marteldood stierven. De vader het eerste, de moeder was in verwachting en mocht haar kind ter wereld brengen, waarna ze hetzelfde lot onderging als haar man. De zoon werd door een weduwe grootgebracht, nadat deze daartoe een opdracht van een engel had gekregen. Het kind groeide op, maar begon pas te spreken toen hij vijf was. Het eerste woord was mama. Die naam, met toevoeging van de s, werd hem toen gegeven. Hij bleek een goede leerling te zijn, maar ook een jongen die voor zijn geloof uitkwam ten opzichte van heidense medeleerlingen. Toen in 275, onder keizer Aurelianus, er weer een christenvervolging uitbrak moest Mamas, vijftien jaar oud, voor de keizer verschijnen en het christendom verloochenen, was het niet met zijn hart, dan toch met zijn lippen. Mamas antwoordde fier dat hij dit niet deed. Hij werd daarna op allerlei zeer wrede manieren gemarteld. Een engel redde hem en bracht hem naar een berg bij Cesarea, waar hij een kluizenaarsleven leidde. Zelfs de wilde dieren werden tam in zijn tegenwoordigheid. Uiteindelijk werd hij toch gevonden en moest opnieuw zware martelingen ondergaan. Ten slotte heeft een heidense priester hem doorstoken met een drietand.
Wij zijn ons van dit alles niet bewust als we rustig aan het tekenen zijn. De avond brengt vrede en vreugde met zich mee. We genieten van dit moment, onder toeziend oog van de heilige Mamés met de tamme leeuw, die op heel wat heldhaftiger wijze vrede heeft gevonden. (De afbeelding is niet van deze kerk, het beeld stond te hoog).

Wij slapen op stapelbedden in de keuken, want de slaapzaal was vol. We waren vrij laat omdat we de pas genomen hadden. Er lopen regelmatig mensen binnen. De discussie gaat over de weg van morgen. Die zou muy mala, heel slecht, zijn. Iemand beweert dat in eindeloze varianten en met groot overwicht. Anderen raken er van onder de indruk. We moeten zeker de verharde weg nemen. We houden de eer aan onszelf en bekijken dat ter plaatse morgen wel.

Dinsdag 26 april: Lubián – A Gudiña (24,7 km)

l’Esprit du Chemin. Op reis, het droombeeld. Daarbij een afbeelding van een engel die iemand wekt. De vragen die gesteld worden hebben te maken met spookbeelden en heldere inzichten, ook met dromen en verwachtingen.

Het gekozen citaat zou (volgens het kaartje) van Franciscus van Assisi zijn, maar dat klopt niet. Men beweert ook dat het van Friedrich Christoph Oettinger (1702-1782) is. Het zou in de Tweede Wereldoorlog door Reinhold Niebuhr, een US-Amerikaans theoloog gevonden zijn. Andere stemmen zeggen dat het gebed van Reinhold zelf is. Het is in vele talen en in veel variaties vertaald of naar eigen hand gezet. Zover het te achterhalen is zou de oorspronkelijke versie luiden:

Gott gebe mir die Gelassenheit Dinge hinzunehmen die ich nicht ändern kann,
den Mut Dinge zu ändern die ich ändern kann
und die Weisheit das eine vom anderen zu unterscheiden.

God geef me de rust om te aanvaarden wat ik niet kan veranderen,
de moed te veranderen wat ik veranderen kan
en de wijsheid het een van het ander te onderscheiden.

Het onderscheidingsvermogen, daar komt het op aan, bij alles wat je verlangt en wat er op je af komt en wat je te doen of te beslissen hebt. Misschien krijgen we vandaag daar ook weer een natuurlijke oefening in. Als we ons door een engel laten wekken, zoals het kaartje aangeeft, dan zal die ons ook het onderscheid wel willen leren. We proberen er oren naar te hebben.

Vertrek 06.15 uur. Ook vandaag zijn we het eerste op stap. We lopen in het halfdonker door het dorp naar beneden. De pijlen zijn nog niet goed te zien, maar het eerste stuk weet ik al. We passeren het heiligdom van Tuiza. Tuiza, weer een ons onbekende naam. Zou het een heilige zijn? Of de naam van een streek waar een bepaalde heilige vereerd wordt? Daar de naam als heilige niet in onze informatiebronnen voorkomt, veronderstellen we dat er de streek mee bedoeld is in Asturia. De kapel is gesloten. Nu moeten we al meteen beslissen of we over de harde weg gaan of toch kiezen voor de camino, het echte pelgrimspad. Bij de herinnering aan de opdringerige toon waarop gisterenavond het muy mala werd uitgesproken, gaan we toch liever het avontuur aan. Daar krijgen we geen spijt van, want vaak zeggen we met een lach tegen elkaar: muy bello! of muy bonito! Toch is de weg inderdaad tamelijk slecht, maar veel beter dan gisteren. We kunnen genieten van onze sportieve dans over de stapstenen, drassig is het, maar het wisselende landschap is een vreugde. Vandaag is er weer een berg te beklimmen, Portela de la Canda (1260 m hoog). Ietsje minder hoog dan de vorige. Bovendien vertrekken we al van een hoger punt. We zetten ons beste beentje voor, (op één been kom je echter niet zo ver). Op de pas is ook de grens tussen regio Castillië en León en Galicië. Vanaf nu komen we regelmatig de bijzondere wegmarkeringen tegen. Elke markering is weer anders.

De richtingwijzers
zijn duidelijk herkenbaar
voor peregrinos

We beginnen aan de steile afdaling, afgewisseld met vlakkere delen en soms ook weer wat omhoog.Als we door een dal komen op de grens van open land en bos, gaan we wat tekenen. Daar hebben we andere dagen onderweg nooit tijd voor genomen. Nu combineren we het met onze rust en onze pauze. We hebben de tijd. Ronald is de eerste die ons passeert. Natuurlijk niet zonder een praatje te maken. Pelgrims onder elkaar zijn heel amicaal zonder veel van elkaar te weten. Zijn mankementen zijn nog niet over, maar hij loopt er toch vlot mee. (Hij heeft ook een keer gedeeltelijk de bus moeten nemen).

We komen door wat kleine, armoedige dorpjes. De mensen hebben het hier niet breed. Ergens zien we een vrouwtje aan het werk. Ook zij draagt een grote blauwe schort met een fijn ruitjespatroon erin, zoals we al vaker zagen. Een oude hoed op haar hoofd, hoge laarzen aan. Ze draagt werkhandschoenen. Waarvoor ze precies, op een primitieve manier een gleuf aan het uithakken is, begrijpen we niet. Ze gaat helemaal op in haar werk. We spreken haar aan. Een en al glimlach, tevredenheid en eenvoud. Ze lijkt geen zwaarte te voelen. We mogen een foto van haar maken. Rustig gaat ze weer door met haar werk. Die werkende vrouwen maken indruk. Het zijn vrouwen die verknocht zijn aan hun land en gelukkig zijn met wat ze hebben.

Door wat hekjes vervolgen we onze weg die ons naar de kapel van Loreto voert. Zou hier de Maria vereerd worden die in het Italiaanse Loreto veel pelgrims trekt? Daarheen zouden engelen het huisje van Nazaret, waarin Maria gewoond heeft, verplaatst hebben. Hier ziet het er niet toeristisch uit. De kapel is niet piepklein, maar ook niet groot. Er staan wel een paar banken op het gras ten behoeve van mensen die bij deze kapel even willen rusten. Wij zijn daar op dit moment niet aan toe.

Na het dorpje Pereiro komen we al gauw in een totaal ander landschap. Het ligt vol grote granietblokken, omringd door heide, witte brem, en andere gewassen voor droge, rotsachtige grond. Kolossaal en indrukwekkend. Daar zijn wij maar kleine mensjes bij.

Na genomen pas
landschap met granietblokken,
indrukwekkend mooi

De weg verloopt beurtelings naar boven en naar beneden. Niet veel, maar wel voortdurend. Het waait heel hard. We zijn aan rust toe en zoeken een beschut plekje tegen een granietblok aan, een stukje van het doorgaand pad vandaan. Al gauw komt de volgende passant, de Bask. Ook hij komt een praatje maken en vraagt of we vanavond mee willen eten. Hij en het Italiaanse echtpaar gaan samen koken. Met dat voorstel gaan we graag akkoord. Hij blijkt Roldo te heten, maar o, die moeilijke r. Hij zegt het ons telkens duidelijk voor, maar we doen het niet goed. Hij wijst met zijn vinger in de mond waar de r gevormd moet worden. Ik denk terug aan Rosa die op paaszaterdag ook zonder succes mij de uitspraak bij wilde brengen.

De derde passant is Heidi! We treffen haar bijna elke dag. Even een praatje en weg is ze weer. Ze loopt alleen. Dat bevalt haar best.

We naderen de carretera, de verharde weg (de N 525). Dat is allerminst leuk op het einde van de route. De lucht wordt donker. Zouden we toch nog regen krijgen? We gaan wat sneller lopen om de regen voor te zijn. Tot nu toe hebben we alleen maar geluk gehad met het weer. De eerste druppeltjes vallen in de laatste straat. Nog even de hoek om en we zijn in de herberg van A Gudiña. De mannen en Mireille zijn al druk in de weer met koken. Roldo legt me uit wat we krijgen, maar als ik het niet begrijp neemt hij me mee naar de keuken, tilt de deksel van de pan en…, daar ligt een inktvis met zijn grijparmen machteloos in het water. Ik gruwel. Pulpa noemt hij het, maar pulpa is eigenlijk een breder begrip volgens het woordenboek (vlees zonder been). Tussen het vocht liggen grote aardappelen. Gelukkig staat er meer op het menu. De Italianen zijn bezig met hun specialiteit: pasta! En natuurlijk wordt de salade niet vergeten. Een glaasje wijn erbij. De stemming wordt steeds beter. De kaart van de vrolijke herberg (van enkele dagen geleden) zou hier meer toepasselijk zijn geweest. Allerlei talen worden gesproken. Wij zijn de enige Nederlanders, zitten rustig op de hoek en proeven, naast het met liefde en vakmanschap klaargemaakte eten, ook de stemming die weldadig aanvoelt. We zitten met een tien mensen aan tafel, waarvan de meesten ons niet gepasseerd zijn. Ook vandaag zullen er mensen door de tunnel zijn gegaan, misschien zelfs wel een stukje met de bus.

Het is een mooie herberg, met een terras waar al veel was te drogen hangt. Er is een apart deel voor de fietsen die achter stevige hoge tralies veilig opgeborgen kunnen worden. Ik ga nog op verkenning uit voor morgen. Het regent wel, maar met poncho is dat geen punt. Ik ontmoet een klein olijk mannetje met kruiwagen die de meest eigenaardige regenkleding heeft die ik ooit gezien heb. Te gek voor woorden: aan elkaar gezette stukken zeil, plastic, vuilniszakken enzovoort. Hij steekt een lang verhaal af over het ontstaan van deze merkwaardige kleding en hoe hij deze ooit uitgeleend heeft aan een pelgrim. Voortdurend schiet hij zelf in de lach. Ik lach met hem mee, al begrijp ik alleen dat hij er zo’n lol aan beleefd heeft. Als ik eraan terugdenk schiet ik ook nu weer in de lach.

Wat hebben we vandaag leren onderscheiden? Misschien toch dat we geen twintig meer zijn, of dertig of veertig of vijftig. We zijn zeventigers. Het wordt ons duidelijk dat we onze grenzen wat overschreden hebben. Morgen 20,7 km en dan basta, al gaat de hele club ook door naar Laza. We zouden eventueel het tweede deel de bus kunnen nemen.

Woensdag 27 april: A Gudiña – (tot Campobecerros: 20,7 km), totaal tot Laza (35,8 km)

l’Esprit du Chemin. Op reis: de schelp.

We dragen allebei een schelp. Diny een kleintje aan haar heuptasje en ik een grote, bengelend op de achterkant van mijn rugzak, en ook nog een klein zilveren schelpje om mijn hals. Op de vraag wat die schelp voor ons betekent, kunnen we zomaar geen antwoord geven. Een teken is niet voor niets een teken. De werkelijkheid die erachter zit is niet exact met woorden te omschrijven. Juist daarom gebruiken we een teken. Precies dat wordt ook gezegd in het eerste deel van het dagcitaat:

Het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar, alleen met je hart kun je werkelijk zien.
Antoine de Saint Exupéry

Ik vraag me wel eens af of we het teken dragen voor anderen of voor onszelf. Voor de zichtbaarheid naar buiten, of om onszelf eraan te herinneren waar we mee bezig zijn. Ieder van ons zal het dragen van de schelp anders verwoorden of er een enigszins andere waarde aan geven. De schelp betekent veel voor mij. Al mijn pelgrimstochten liggen erin besloten, als in de holte van een landschap geborgen, veilig en gelukkigmakend.

We vertrekken vandaag om 06.20 uur. Bijna altijd gaan we weg zonder te ontbijten. Dat bevalt ons het beste. Na een paar uur nemen we doorgaans onze eerste, welverdiende rust met daarbij een lekkere boterham die we bij ons hebben. Ook water zit in onze rugzak. Behoefte aan koffie of thee ontbreekt ons allebei, dus kunnen we de eventuele cafeetjes rustig overslaan. Het is geen kwestie van soberheid, we hebben er gewoon geen zin in.

Ons besluit om in Campobecerros de bus te nemen naar Laza, is nu definitief gevallen. Dat geeft ons de rust om de afstand in alle rust te lopen. We hebben alle tijd. We voelen dat we, in ons enthousiasme en omdat het zo goed ging, toch meer hebben gedaan dan echt goed voor ons was.

Weer moet er een stukje geklommen worden naar de Alto do Espiño (1088 m hoog). We passeren wat kleine dorpjes, Venda do Espiño, Venda Teresa en Venda da Capela. Gratis worden we getrakteerd op prachtige uitzichten over de dalen en met zicht op een stuwmeer in de verte. We drinken het landschap in met onze ogen, adembenemend en om heel stil van te worden. We praten niet zoveel met elkaar, lopen meer achter dan naast elkaar, blijven in onze eigen stilte, behalve op momenten waarop de weg vraagtekens oproept. In Venda Teresa komen vijf honden op ons af, dat is schrikken, maar de eigenares roept ze snel terug. Ik heb nog steeds handschoenen aan. Elke morgen is het tamelijk koud, maar in de loop van de dag gaat de temperatuur flink omhoog. Wat ook omhoog gaat dat is de weg, maar omhoog betekent daarna weer omlaag. Het voordeel van ‘hoog’ is het schitterende uitzicht. We worden gepasseerd door Ronald en later Roldo. Roldo, de Bask zal in zijn rappe Spaans voor ons nagaan hoe laat er bussen komen. Na Bolaño moeten we tamelijk steil omlaag om in Campobecerros uit te komen. We lijken te ver te gaan en struinen door het struikgewas, maar lopen vast op een te hoge afstand tussen de bestrating en de plek waar we ons bevinden. Weer terug, niet al te ver. Bij het café ontmoeten we Roland en Roldo. De laatste heeft al achterhaald dat er geen bussen lopen. Een taxi kan wel. We denken er over na en zeggen dat we liever hier in de herberg overnachten. Wel zijn we dan onze pelgrimsvrienden kwijt constateren we wederzijds met spijt. Heidi is intussen ook aangekomen. We gebruiken wat in het café, maar de sleutel van de herberg (la llave) krijgen we nog niet, de vrouw geeft er geen reden voor op. We wachten aanvankelijk geduldig, maar ons ongeduld stijgt ten top als we na een uur er nog steeds op moeten wachten, terwijl we nog een keer iets gekocht hebben in de winkel van het café, een gelegenheid om de vrouw tegelijkertijd aan de sleutel te herinneren. Tranquilla, espera, patiencia, en meer van dergelijke woorden bijt de vrouw ons toe, terwijl ze ons nauwelijks een blik waardig keurt. Oei, dat is een oefening in eenvoud en geduld. We brouwen daar nog niet zoveel van, want we voelen ons verontwaardigd en boos. Diny zegt: ‘Kom, we gaan.’ Ik kan het bijna niet geloven dat ze het wil, en vraag me af of het wel goed is dit te doen, maar ze meent het echt.

Tussenstop mislukt,
ons geduld is ten einde
toch maar weer op weg

We gaan, en we voelen ons zeer opgelucht. Rustig lopen we door. We hebben lang genoeg uitgerust en kunnen nog meerdere keren rusten als het nodig is. Al gauw vinden we nog een plek met water en picknicktafels. We doen er onze schoenen uit, maken ons gezicht en ons hoedje nat, gaan even ‘plat’. Diny neemt voor de zekerheid een paracetemol als we weer vertrekken. Het is nog 15 kilometer. We nemen de tijd. Omdat we heel hoog zitten en Laza in een dal ligt, weten we dat ons een lange daling te wachten staat, niet gemakkelijk voor de knieën die allerminst in optimale conditie zijn.

Hoog in de bergen,
ruimte, zon en somberte,
knikkende knieën


We komen al spoedig door een naaldbos met ook wat loofbomen. Na Portocambo een houten kruis voor gestorven pelgrims, bergaf naar Eiras, steil dalen om uiteindelijk in Laza aan te komen. De sleutel ontvangen we bij de Protección Civil, voor elke pelgim of pelgrimssstel één. Conchita en Pepe die we onderweg ontmoetten zijn ook juist aangekomen. In de herberg verraste gezichten omdat we toch gekomen zijn. Of we mee willen eten? Dezelfde kookploeg. Ja graag en weer is het gezellig (geen pulpa vandaag). Het is een herberg met grotendeels glazen wanden. Je kunt overal doorheen kijken, behalve door de verschillend gekleurde deuren van de kleine slaapkamers met vier stapelbedden. Helga is weer opgedoken en verorbert haar eigen samengesteld menu met brandnetelpuree. Vast is ze voor een groot deel met de bus gegaan. Dat moeten wij morgen ook, want Diny’s knie heeft het nu echt begeven. Het was toch te veel. Spijtig, maar de consequentie van het teveel moeten we dragen. De bustijden en halteplekken kregen we mee bij de Protección Civil. De groep toont zich zeer betrokken. Iedereen wil wel een of ander zalfje aanreiken. We liggen pas rond tien uur in bed.

Donderdag 28 april: Laza – Villar de Barrio (met de bus, 19,9 km)

l’Esprit du Chemin. Op reis: de kaars.

Kaarsjes opsteken, zelf doe ik het zelden. Ik krijg er vaak het gevoel bij dat je van je eigen verantwoording voor dat bepaalde doel af wilt. Dat is natuurlijk niet de bedoeling van een kaars. Het is geen afschuifsysteem. Maar een kaars opsteken heeft ook te maken met vertrouwen dat er meer mogelijk is dan je zelf kunt bereiken. Het heeft met loslaten en overgave te maken. Met toevertrouwen. In die zin steek ik thuis een lichtje aan bij een ikoon. Tijdens onze tocht zijn de meeste kerken gesloten, dus kaarsjes hebben we niet zo vaak opgestoken. Wel zijn we zelf tot wandelende kaarsjes geworden, met een hart vol dankbaarheid voor alles wat we in ons leven ontvangen hebben. Zo ook nemen we veel intenties mee van anderen, zieken, mensen die in de problemen zitten, en in groter verband, de wereld met al zijn noden.

Het citaat van vandaag komt van Martin Luther King:

Duisternis kan geen duisternis verdrijven; alleen licht is daartoe in staat.
Haat kan geen haat verdrijven; alleen liefde is daartoe in staat.

Zelfs als je met de bus wilt gaan, kun je de weg moeten zoeken. Zachtjes verlaten we de herberg, ruim op tijd voor de vertrektijd van de bus, maar we kunnen de halte niet vinden. De uitleg bij de Protección Civil is niet duidelijk genoeg geweest. We lopen speurend in het halfdonker rond, van hot naar haar, worden er onrustig van, zien niemand om het te vragen. Haltebordjes bespeuren we nergens. Uiteindelijk doemt er een vrouw met een tas op, vlak bij een groot kruispunt. Ze blijft daar stilstaan en wacht. Zou daar dan de bushalte zijn? We gaan erheen en het klopt. Vreemd dat er geen aanduidingen staan, geen bordje, geen paal. We willen een dorp verder uitstappen, daar overnachten en dan morgen toch een heel klein stukje lopen, maar in de volgende plaats stopt geen bus. Dan maar meteen naar Villar de Barrio.

Aankomend ontdekken we de herberg vlakbij de bushalte. En…, die is op dit vroege uur open. De meeste pelgrims zijn juist vertrokken, maar enkelen bevinden zich nog in de slaapruimte. Wij gaan beneden aan de tafel ontbijten, hebben een dag de tijd om erachter te komen wat we willen en vooral wat we kunnen. Een Spaanse pelgrim geeft ons het adres van een médico, een dokter. Intussen komt er nog een aardige Engelsman naar beneden en wat later een Nederlands echtpaar. We maken een praatje en krijgen weer adviezen.

Op naar de dokter. De juffrouw achter het loket kijkt op noch om als we daar gaan staan om uit te leggen wat het probleem is. Ook hier wordt ons geduld danig op de proef gesteld. Wachten, wachten, wachten. Uiteindelijk, als ze wel anderen te woord staat, dringt het tot haar door, dat wij ook iets te vragen hebben. Ze accepteert het verzekeringskaartje niet. Na enige tijd en navragen bij anderen blijkt de paspoort voldoende te zijn. Wel wordt ons geduld opnieuw op de proef gesteld. Het is halfnegen en halfeen kunnen we pas terecht. Het weer is goed, we gaan op het grote plein op een bankje zitten, Diny met het been hoog, ze gaat wat tekenen. Ik zoek een brievenbus en een winkel.
Na enkele uren komen de eerste pelgrims al voorbij, maar, ze trekken ook weer verder. De meesten leggen vandaag twee afstanden af (33,8 km). Weer terug naar de dokter en wéér anderhalf uur wachten voordat we aan de beurt zijn. Gelukkig een uiterst vriendelijke dokter. Hij probeert ons te verstaan, spreekt geen Engels, maar neemt de tijd om te voelen wat er aan de hand is. Een spuit wil hij niet geven, wel medicijnen en zalf. Verder is zijn dringend advies: REPOSO! rust, dan moet het weer goedkomen. Heel hartelijk strekt hij zijn beide handen uit ten afscheid. En betalen is niet nodig. Pelgrimsservice? Toch heel bijzonder. De apotheek is naast onze herberg.

Vandaag een dag rust.
Een hartelijke dokter,
plus zalf en pillen

Met grote verwachting dat de medicijnen spoedig gaan werken, proberen we de moed erin te houden. We zijn niet gekomen om dagelijks met de bus te gaan. Morgen in elk geval wel.

‘Dolor’ en dokter,
al rustend genieten wij
van bloem en vlinder

Teruggekomen in onze herberg koken we ons avondmaal. In het gastenboek zie ik een bijzonder citaat van Friedrich Wilhelm Nietzsche (1844-1900):

Es gibt auf der Welt einen einzigen Weg, auf dem niemand gehen kann außer dir. Wohin er führt? Frage nichts, gehe ihn.

De weg gáán! Ja, maar zonder te lopen. En geen vragen stellen. Dat doen we in stilte toch wel. Blijkbaar zijn we nog niet klaar met de ‘weg’ die nu voor ons ligt.

Vrijdag 29 april: Villar de Barrio – Ourense (met bus: 37,3 km)

l’Esprit du Chemin. Op reis: de stilte.
Als we aan het lopen zijn, hebben we geen gebrek aan stilte, maar nu is het wat anders. We worden bepaald door onze omstandigheden. We moeten gebruik maken van openbaar vervoer. We hebben inlichtingen nodig. Kunnen niet de mooie weggetjes op omdat we een ‘loopverbod’ hebben. Onze rust is een beetje verstoord, terwijl we het juist van de rust moeten hebben, al slaat de eerste rust op de innerlijke, en de tweede alleen op de uiterlijke. We zijn wel stil, lijkt het, maar onze gedachten, die alle kanten uitgaan, staan onder invloed van het veranderd dagpatroon. Het zijn indringers die de diepere stilte verbreken.

Het dagcitaat luidt:

Ik sta even stil en dat is een hele vooruitgang
Bertold Brecht (1898 – 1956)

Wij staan even stil, ja. Hebben we onszelf toch overschat? Moeten we niet accepteren dat leeftijd en slijtage echt een rol gaan spelen? En zou die acceptatie geen vooruitgang zijn? Al een paar dagen speelt de feitelijkheid van de nieuwe situatie mee. We zijn daar niet in één-twee-drie mee klaar. We willen er nog niet aan, al gedragen we ons vandaag er wel naar. Dat willen we ook de komende dagen zo goed mogelijk doen. Wie weet kunnen we dan de tocht weer snel hervatten.

De bus brengt ons rechtstreeks naar Ourense, een grote stad. Het is niet duidelijk waar we uit moeten stappen. We stappen op advies van busreizigers op een bepaalde plaats uit, maar het blijkt nog ver lopen te zijn naar de herberg.

Reizen met de bus,
dat doen de pelgrims niet graag,
alleen: nood breekt wet

We ontbijten vooraan in Ourense bij een stenen tafel. Telkens opnieuw vragen we de weg. Niet iedereen heeft weet van een pelgrimsherberg. Richting kathedraal kan men ons wel wijzen. Daar moet de herberg dichtbij zijn, weten we. De albergue huist in het klooster San Francisco van de franciscanen. Het is een 14e eeuws klooster. In de vijftiger jaren zijn de franciscanen er weggegaan. Daarna werd het een militair ziekenhuis. Nu dus een grote herberg met een 36 bedden, plus nog tien matten. Verder een keuken en een grote ruimte om te zitten. Natuurlijk ook douches. In het hoogseizoen is er een vrijwilliger aanwezig, maar elke dag rond tienen moeten de pelgrims weg zijn, dan komt de schoonmaakploeg. We droppen onze rugzakken voordat de deur voor pelgrims gesloten wordt. We lopen rustig naar de nabije 12e-13e eeuwse kathedraal. Deze is, na de kathedraal van Santiago, de mooiste en rijkste van Galicië. Juist begint er een Eucharistieviering. Daar zijn we blij om. Het is een rustig moment van bezinning en gebed. Na de Mis krijgen we een stempel op onze kaart, ook al hebben we de route niet gelopen (had ik dat eigenlijk wel verteld?). We bekijken het beeldhouwwerk van de portalen, worden stil bij het 13e eeuwse kruis met kroon, geflankeerd door Maria en Johannes. Vrouwen raken devoot de voeten met beide handen aan, meerdere keren. Er gaat een diepe eerbied van uit, een kracht die hen sterkt hun eigen kruis te dragen, zo meen ik te voelen.

Het hoofdportaal, Pórtico del Paraíso, is verwant aan het portaal Pórtico de la Gloria in Santiago.

Ik zoek de winkels en de markt op voor de boodschappen. Diny vindt ergens een plekje op Praza Maior, waar momenteel een markt is. In de nabije straatjes is een kunstmarkt. Samen lopen we rustig terug naar de herberg. Tot onze grote verrassing komt Roldo, de Bask, ons tegemoet met de warme en enthousiaste kreet: ¡Hermanas! (zusters). Ook de andere bekenden druppelen binnen, en zijn al even hartelijk als ze ons terugzien. Wij hadden hen nog niet verwacht. Ze hebben allemaal grote afstanden per dag gelopen.

Diny blijft bij de herberg en bij de anderen. Ik ga op verkenning uit voor de dag van morgen. Dat ben ik zo gewend, niet dat we morgen zomaar weer op stap kunnen, want wonderen gebeuren er niet elke dag. We hebben een te vermetel vertrouwen in de medicijnen gehad, dachten dat het wel snel beter zou gaan, maar tot nu toe geen resultaat. Forceren willen we niets. Ik doorkruis de stad en loop over de mooie, herbouwde 13e eeuwse Romaanse brug over de rivier, de Miño. Graag was ik naar de hete thermaalbaden gegaan Las Burgas, waarnaar op veel plaatsen verwezen wordt, maar ik zie er toch van af. Het is me te ver en ik zou ook te lang wegblijven. Bovendien is het minder leuk om er alleen heen te gaan.

Op het nabijgelegen kerkhof zoeken we een rustig schaduwplekje op een stenen bank. Daar gaan we tekenen. Aan de overkant staat een boompje, prachtig afgetekend tegen de blauwe lucht. Met het zicht daarop kies ik mijn tekenonderwerp.

Zittend bij kerkhof,
levend tussen de doden,
zicht op het boompje

De lekkere koek, die we gekocht hebben, smaakt ons best. We zitten hier rustig, vlak bij de herberg, dichtbij de kathedraal en op loopafstand van het drukke centrum. Als het kouder wordt, lopen we nog even het aangrenzend museum binnen en gaan dan naar binnen. De anderen overleggen wat ze morgen zullen doen. De eerste elf kilometer harde weg willen ze ontwijken. Roldo regelt twee taxi’s. Wij kunnen ook mee en hopen dan minstens het vervolgstukje te kunnen lopen, elf kilometer, niet te veel. Daarna zien we wel weer. Nog eten en op tijd gaan slapen. Late fietsers maken ons onbedoeld wakker, al proberen ze alles zachtjes te doen. Diny wordt even wakker en denkt dat we al op moeten staan.

Zaterdag 30 april: Ourense – Cea (11 km met taxi en 11 km te voet)

l’Esprit du Chemin. Op reis: de tekens

Als we onderweg zijn kunnen we niet zonder tekens. We speuren er naarstig naar. Misschien zelfs intensiever dan op onze levensweg. Zonder tekens is het moeilijk de weg te vinden, met tekens voelen we ons rustiger, sterker, gaan we met groter vertrouwen door. Hoeveel tekens hebben we onderweg al niet gezien, en hoe blij kunnen we zijn als we eindelijk weer een teken zien, na lange tijd elk teken gemist te hebben. Tekens langs onze levens- en pelgrimsweg? Wat te zeggen van versleten knieën of heupen? Het ontbreken van tekens doet je twijfelen, maar het krijgen van tekens brengt óók onzekerheid met zich mee. Moeten we dan echt van koers veranderen? Er is niet meteen volkomen bereidheid om in de tekens te geloven. Is het wel een teken of is het een toevallige samenloop van omstandigheden? Deze en dergelijke vragen doen ons weer twijfelen. Deze twijfel toelaten en open blijven staan voor de feiten en voor ons gevoel erbij. Dit is een gezonde manier om de juiste weg te vinden.

Paul Coelho, een bekend Braziliaans schrijver (geboren 1947), zegt in het dagcitaat:

Lessen komen niet eerder dan dat je er klaar voor bent, en als je op de tekenen let, zul je alles leren wat nodig is voor de volgende stap.

Elders zegt hij: Ik voel me als een pelgrim die een weg zonder einde bewandelt. De weg en het zoeken, dat is wat je vormt en verandert.

In Galicië
originaliteit in
‘t wijzen van de weg

De taxi’s staan vroeg voor de poort. Roerend neemt Roldo, die eerder naar huis moet, afscheid van ons. Hij was een behulpzame en aardige metgezel.

Elf kilometer verder begint onze tocht. Naar Cea is niet zo ver. Daar zullen we wel zien of we nog verder kunnen en willen. Elf kilometer is in zich niet zoveel. Als de taxi’s ons afgezet hebben, nemen we ook afscheid van de anderen, ja, met pijn in het hart, maar met goede herinneringen. Zouden we hen nog ooit terugzien? Al snel zijn ze uit het zicht verdwenen. Ook vandaag moeten we licht stijgen. Gedeeltelijk lopen we door een bos. De zachte ondergrond is ons zeer welkom. Verder gaat de route door meerdere kleine dorpjes. Ineens, op een smal paadje, zien we Mireille en haar man. Hij loopt zoekend rond. Wat zoekt hij toch? Het blijken grote paddestoelen te zijn. Hij laat er ons een zien, ik dacht een boleet. Vanavond te gebruiken voor het avondmaal, zegt hij, maar wij zullen daar niet bij zijn. We stoppen eerder.

In het boekje staat dat we door absolute eenzaamheid lopen. Zo voelt het niet. We zijn verbonden met alles en allen, eenzaamheid is een totaal ander gevoel. Stil is het wel, en mensen zien we niet, behalve de sporadische pelgrim die ons voorbijloopt. Gedeeltelijk gaat de weg over zeer oud plaveisel, waarschijnlijk nog uit de middeleeuwen. Het moet een verbindingsweg zijn geweest die nu overwoekerd is geraakt, maar nog zichtbaar.

De herberg in Cea is heel bijzonder zegt ons boekje, ook de moeite waard om er een kijkje te nemen als men er niet overnachten wil, maar wij willen dat wel, want het lopen gaat nog helemaal niet goed. De albergue zelf is erg donker, lijkt wel onder de grond te liggen als we binnen zijn. Wel hangt ademt hij een goede sfeer en ziet hij er verzorgd en mooi uit. Ernaast staat een horreo, een voor deze streek typische maisdroogplaats, een soort smalle, hoge kooi op poten. De wind kan er aan alle kanten doorheen blazen. Door een bepaalde constructie kunnen er geen muizen naar boven klimmen.

Wij komen veel te vroeg aan. Een man is nog bezig met de schoonmaak. Hij is doof, maar hij begrijpt dat we hier willen overnachten. Het is lunchtijd. De keuken ziet er prima uit. We kunnen onze gang gaan. Na de lunch loop ik naar het centrum van het dorp, dat wat verderop ligt. Ik doe de noodzakelijke boodschappen. Dat komt elke dag terug, want voorraden, daar zou onze rugzak te zwaar van worden. We beperken ons omwille van onszelf. Diny is bijna jarig, ik loop een ijzerzaak binnen, waar ze ook allerlei andere artikelen verkopen. Ik wil een nieuwe zonnehoed voor haar kopen (de oude is ze verloren bij een andere reis). Ik vraag wel of hij geruild kan worden als hij niet past. Nog wat druiven gehaald bij de winkel op de hoek en weer terug. Onze tekenactiviteit in het weitje vlak bij de herberg moesten we onderbreken toen de eerste druppeltjes vielen en de lucht al grijzer werd.

Gisteren gezien
in kathedraal d’Ourense,
een raam magnifiek

Nog een keer naar het centrum om de hoed, die niet paste, terug te brengen. Gesloten. Wat nu? Later nog een keer terug en gelukkig was de man toen present. Zo kom ik wel aan wat extra kilometers.

We maken ons zorgen om de knie van Diny. Dat wil echt nog niet. De medicijnen doen niet meer dan een paracetemol.
Latere pelgrims zijn echt nat geworden. Wij waren net op tijd binnen. Beneden staan de schoenen, met de neuzen omhoog en aan elke spijker of hoek hangt wel een poncho die kleine plasjes maakt op de vloer. We zoeken vroeg het bed op. In de bedden tegenover ons zien we het Nederlandse echtpaar weer terug dat we in Villar de Barrio ontmoet hebben. Zij gaan ook niet zo snel.

Zie verder deel 3