Reacties op het Verslag van de Ruta de la Plata vind je op Reacties op pelgrimeren
Inleiding: samen onderweg
Meerdere keren is me gevraagd of ik de verslagen van mijn pelgrimages ter lezing wil aanbieden aan derden. Ik heb erover nagedacht in hoeverre anderen er iets aan zouden kunnen hebben. Elke pelgrimage heeft, naast uiterlijke gebeurtenissen, ook elementen in zich, die een ander niet op die manier beleefd heeft. Misschien een innerlijke of religieuze beleving, of een unieke gedachtegang, of een persoonlijke associatie. In hoeverre zitten er in dat deel van de pelgrimage wat persoonlijker is, gegevens die zin kunnen hebben voor anderen?
We zijn allemaal als mensen samen onderweg, of we dat nu doen door te pelgrimeren naar een ver pelgrimsoord, of dat we het doen vanuit onze thuisbasis. We maken van alles mee en we leren gaandeweg om te gaan met wat er op onze levensweg gebeurt, zien er de zin al of niet van in, kunnen verheugd zijn met elkaar om de verrassingen en leven mee met de moeilijkheden. Een ander kan, uit hetgeen hij of zij leest, zelf selecteren wat dienstbaar is voor zijn of haar eigen weg. Misschien zitten er wat kruimeltjes verscholen in mijn verslag, kruimeltjes die voeding kunnen zijn voor de ziel van de ander. Ik heb deze keer wel besloten het verslag als geheel beschikbaar te stellen, maar, niet als één brok tekst, die men ineens tot zich neemt. Zoals de pelgrimsweg dag na dag verdergaat en je werkelijk niet weet hoe de volgende dag eruit zal zien, zo zal ik dagelijks alleen de beschrijving van één dag op de site zetten. De lezer krijgt op deze manier de tijd om te reflecteren op de eigen levenstocht aan de hand van mijn individueel verhaal.
We gebruikten ter inspiratie gedachten en suggesties van de l’Esprit-du-Cheminkaartjes, samengesteld door Arno Cuppen en Huberta Wiertsema, die al meerdere jareneen herberg runnen in Saint-Jean-Pied-du-Port, vlak voor de grens van Spanje http://www.espritduchemin.org/EC/LEsprit_du_Chemin.html. De kaartjes gaven ze aan pelgrims cadeau ter gelegenheid van hun vijfjarig bestaan. Arno en Huberta werken er met veel spirit, samen met een afwisselend team medewerkers. Daarbij geven ze de pelgrims geestelijk en mentaal voedsel mee voor onderweg. Zelf hebben ze veel ervaring met pelgrimeren.
Ik liep, met mijn zus, van 15 april tot 11 mei 2011 het tweede deel van de Ruta de la Plata, (vaker Via de la Plata genoemd), die in Sevilla begint en naar Santiago loopt. Twee jaar geleden liepen we het eerste deel tot Salamanca.
Tijdens onze tocht tekenden we elke avond iets over een moment van de dag, een bloemetje, een kerk, een brug, een kruis, een symbool, een vogel, een schelp enzovoort. We deden dat met onze aquarelpotloden op een klein vierkant of rechthoekig tekenpapiertje, waarna we een penseel met een waterreservoir gebruikten om de kleuren over te laten vloeien of helderder te maken. Daarbij maakten we nog een haiku om dat moment met enkele woorden samen te vatten (Japanse dichtvorm; drie regels van respectievelijk 5-7-5 lettergrepen). De tekeningen komen niet op de site, wel hier en daar een foto.
Goede tocht toegewenst!
Ricky Rieter
Wie er tussendoor behoefte aan heeft te reageren op een inhoudelijk element, kan dat met ons delen via ons mailadres info@stilleretraites.nl. Wat vruchtbaar of aanvullend kan zijn voor anderen kunnen we plaatsen op de pagina ‘Reacties op pelgrimeren.’ (Wie de eigen reactie liever niet, of maar voor een deel, geplaatst wil hebben, kan dat tevoren even aangeven).
Pelgrimage van Diny en Ricky Rieter
Salamanca – Santiago – (Finisterra): 15 april – 11 mei 2011
(Tweede deel van de Ruta de la Plata, die loopt van Sevilla naar Santiago)
Vrijdag 15 april: Megen – Maashees (trein) – Weeze (auto) – Madrid (vliegtuig)
Na een drukke tijd door renovatie van de tuin nog de laatste voorbereidingen getroffen voor onze pelgrimstocht. Bij de zusters clarissen waar ik dagelijks deelneem aan het Getijdengebed, wordt er gebeden voor deze twee pelgrims, niet alleen vandaag. De zusters zullen ook tijdens de tocht ons regelmatig gedenken. Zo zullen we veilig aan onze tocht beginnen.
De rugzak wordt elk jaar met zorg gepakt. We nemen steeds minder mee. De ervaring leert ons dat dit onszelf ten goede komt. Eén rugzak gaat in het vliegtuig mee als handbagage, de stokken vastgebonden op de andere, en deze rugzak in vuilniszakken verpakt. Zo is het maar één pakket. We hopen dat het in Weeze op het vliegveld geaccepteerd wordt. Pieter en Tiny brengen ons weg en al snel verdwijnen we boven de wolken, waar de zon veelbelovend haar best doet om ons al meteen in de stemming te brengen.
Aankomst in Madrid en zoeken naar de metro. Twee schoonmakers wijzen ons de weg. We moeten op de tweede ‘planta’ zijn (ons eerste woord Spaans toegevoegd aan onze, nog geringe, parate kennis). Als we de Metro uitstappen staan er toevallig twee ‘engelen’ klaar, deze keer in de vorm van agenten, om ons de weg naar ons hostal te wijzen. Het gaat allemaal voorspoedig en we worden verwacht. Het ziet er netjes en verzorgd uit. Nog even navragen hoe we morgen naar Salamanca kunnen reizen. Een man uit Wales, die ook bij de receptie staat, zet ons op het verkeerde been, maar we luisteren naar de receptionist. Lakens en slopen krijgen we mee. Een benauwde kamer voor acht personen is voor één nacht wel uit te houden. Stapelbedden. Ik kruip in het bovenste.
Onze haiku’s bij de gemaakte tekeningen:
Het station in Madrid,
tegels als uiebollen
en uren wachten
Cusco en Ccusi
via het Inka-zilver
naar de Plataweg
(Cusco is de naam van het metrostation in Madrid. Tegelijkertijd is Cusco de naam van een stad in Peru. Ccusi is de naam van het winkeltje met zilverwaren waar we tijdens onze wachttijd langs zijn gekomen en waar we prachtige zilveren voorwerpen uit Peru gezien hebben).
Zaterdag 16 april: Madrid – Salamanca (metro/bus) – Calzada de Valdunciel (te voet)
06.45 uur. Muisstil staan we op. Onze spullen gaan meteen mee naar de gang, zodat we anderen, die nog slapen, niet meer hoeven te storen. Het ontbijt in de benedenverdieping staat nog niet klaar, we drinken wat water. Er liggen een paar oude broodjes.
In de Metro gaan we per ongeluk een halte te ver. Niet erg. Weer terug. De trein die we willen reserveren is volgeboekt. De volgende komt pas om 11.10 uur. We bekijken wat winkeltjes, eten de, van thuis meegebrachte, resterende boterhammen.
We bekijken ons eerste kaartje van het pelgrimssetje, gemaakt door Arno en Huberta die een herberg hebben in Saint Jean Pied du Port, ‘L’Esprit du Chemin’.
Het citaat van vandaag luidt:
Ga, trek weg uit je land Genesis 12,1-2
In de inleiding noemen ze de kaartjes ‘wandelmaatjes voor de ziel’. Er staan wat suggestieve vragen op die je aan het denken kunnen zetten. Je neemt ervan mee wat je op dat moment aanspreekt. Ieder in eigen binnenste, of als je wilt, deel je ervan met elkaar.
Abraham werd ertoe uitgenodigd om naar een onbekend land te gaan dat hem beloofd werd. Wij kiezen er zelf voor om te vertrekken en er is ons niets beloofd. Onzekerheden hebben wij evenzeer.
Aankomend in Salamanca begint de onzekerheid al. Waar stappen we uit? FINAL in grote letters, blijkt niet het einde te zijn. Moeten we er nu uit of niet? Driemaal gevraagd en nog weten we het niet. We rijden door, en hebben goed gegokt. Met wat aanwijzingen vinden we de weg naar de beschreven route; nog wat fruit gekocht én, we gaan. De tocht is begonnen, we zijn blij. Al gauw ligt Salamanca achter ons. De weg lokt! Mooi is anders, maar dat zal veranderen. Dat eerste gevoel van vrijheid is super, alsof we, na een lange reis, als vogels door het opengemaakte deurtje van een kooi de lucht in gaan. Het is heel anders dan vliegen met een vliegtuig.
Tot ons beider verwondering hebben we geen last van de mankementen die het ouder worden (bijna 76, en 73) al met zich hebben meegebracht. Het blijft een uitdaging. Zou het nog lukken? Lopen is op deze eerste dag in elk geval een feest.
We zijn in de namiddag pas gestart en de route is kort, een 16 km.
Via Castellanos de Villiquera naar Calzada de Valdunciel. Wegwerkzaamheden doen ons twijfelen of we goed zitten. Even het spoor bijster, maar we komen er. Valdunciel is een klein plaatsje. Door het dorp heen, slaan we bij de resten van Romeinse mijlpalen af om bij de herberg te komen. Die is volledig bezet. We worden verwezen naar een restaurantje waar ze ook enkele kamers hebben. Keurige kamers, maar een vreselijk vies restaurant. Naarmate de dag vordert steeds meer vuiligheid op de vloer en een druk mannetje dat zich in het zweet werkt. Hij heeft werkelijk geen oren voor simpele pelgrims. Oostindisch doof? We verdwijnen naar onze keurige kamer en kunnen het verschil in netheid bijna niet bevatten.
Zondag 17 april: Palmzondag: Calzada de Valdunciel – El Cuba de la Tierra del Vino 19,7 km
Onze ‘l’Esprit du Chemin’- kaart geeft als citaat:
De echte ontdekkingsreis is geen speurtocht naar nieuwe landschappen, maar het kijken met nieuwe ogen.
Marcel Proust
Zou je, al trekkend door nieuwe landschappen, niet vanzelf met andere ogen leren kijken en zo meer ontdekken dan het landschap zelf te bieden heeft? Trekken en het nieuwe landschap zien blijkt tegelijkertijd een innerlijk trekken te worden doordat er iets in jezelf meer ruimte krijgt dan in het gewone leven. Dat ervaren we. Onderweg worden de innerlijke ogen wakker. Je kijkt naar buiten en binnen tegelijk. Je aandacht is intenser en je laat je vaker raken. Met nieuwe ogen kijken, ja, dat gebeurt er. Het blijkt een echte ontdekkingstocht te zijn.
Een van de vragen op het kaartje luidt: Wat is het belangrijkste dat je meeneemt? Misschien is het wel deze vraag, zonder er meteen een antwoord op te willen krijgen. De vraag kan op vele manieren gesteld en eventueel, al gissend, beantwoord worden.
Wat is het belangrijkste dat ik meeneem? Mijn innerlijk kompas misschien? Toch een voorlopig antwoord?
We vertrekken om 06.45 uur. Het is nog stikdonker. Wel worden we op dit vroege uur uitbundig uitgezwaaid door ‘late’ feestvierders die, uit het raampje van de auto hangend, ons iets onverstaanbaars toeroepen. Voor een groot deel loopt de route langs de N 630, wel niet pal erlangs, maar een stukje hogerop. Een heuvelachtig landschap. We passeren een kapelletje, maar het is gesloten. Er lopen veel weggetjes en wildtunnels onder de autoweg door.
Onze timing is heel bijzonder, want aankomend op onze bestemming blijkt, dat er op zondag niet alleen een winkel open is, maar ook en vooral dat we nog naar de Palmzondagviering kunnen. Na twaalven begint die pas. Brood kunnen we niet meer krijgen, maar we kopen wat we nodig hebben.
Om in de kerk te komen lopen we onder de boog door waarop staat:
Hec est domus Dei et porta Coeuli
Dit is het huis van God en de poort van de hemel.
(We twijfelen eraan of het Latijn klopt. ‘Hec’? en ‘Coeuli’ Zou het niet ‘Hic’ en ‘Coeli’ moeten zijn?). Van de inhoud van de woorden komen we onder de indruk. Die hemel ziet er wel heel aards uit. De kerk stroomt vol. We luisteren onder andere naar het evangelie dat met vier verschillende stemmen op heldere toon wordt voorgelezen. Ook trekken we mee in de processie die buiten gehouden wordt. Maxi-’palmtakken’ worden vastgehouden en gezegend. Bij die takken zijn de takjes, die de zuinige Nederlanders gebruiken, wel heel erg miniem.
De herberg ligt aan het eind van het dorp. Degene die de sleutel heeft had ons al in de kerk gezien en staat ongeduldig te wachten totdat we eraan komen. Hij schrijft ons in. Op het aardige binnenplaatsje zit een vrouw met haar voet hoog. Problemen. Mireille heet ze, een Italiaanse. Ik geef haar een stukje van mijn palmtak. Dankbaar neemt ze het aan. Die palmtak gaat ze nog verdienen, zullen we later ontdekken, want ze heeft bijna de hele tocht tot Santiago wat mank gelopen. Het euvel is er niet beter op geworden! En verstandig was het ook niet, maar wij
hoeven voor haar die afweging niet te maken. We hebben genoeg aan onszelf.
We doen ons wasje. Intussen komen er al andere pelgrims binnen.
We eten wat en gaan op een bankje zitten naast de kerk om te tekenen. Er staat een standbeeld van Jakobus met een tekst die ik niet duidelijk heb overgenomen.
Onze haiku’s bij de tekeningen luiden:
Ingaan in Gods huis
is binnentreden door de
poort van de hemel.
Gebarsten aarde
en twee gewijde takken,
onze palmzondag.
Maandag 18 april: El Cubo de la Tierra del Vino – Villanueva de Campeán – Zamora (13,3 + 18,7 km)
Citaat op ons kaartje van l’Esprit du Chemin:
Misschien is liefde voor een deel: leren los te laten, weten wanneer het tijd is afscheid te nemen.
Sergio Bambarèn
Als je pelgrimeert komt loslaten dagelijks terug: de plaats waar je bent, de contacten die je intussen gemaakt hebt, het landschap, de verwachtingen.
Wíj laten bij elke voetstap de vorige weer los, en met die voetstap mee, alles wat niet relevant is op dat moment. Heeft dit met liefde te maken, vraag ik me af.
Al lopend word je geconfronteerd met jezelf, ook met het minder goede, bijvoorbeeld met oude patronen waarvan je in de stilte een duidelijker beeld hebt gekregen. Het lopen is een zuiverend proces, waarbij je leren mag dat trouw zijn aan je diepste weg betekent, dat je mensen, dingen of gewoontes los moet laten. Daar is de kracht van de liefde voor nodig én het vraagt om een duidelijke keuze.
Als pelgrim kom je, door de contacten met andere pelgrims, in de verleiding om je af te laten trekken van dat diepere proces. Het lopen alleen of met zijn tweeën helpt je bij het loslatingsproces.
Binnen je leven moet je ook regelmatig loslaten: je kinderen, je baan, je gezondheid, je verwachtingen, je verlangens… Soms kan dat veel pijn doen, maar als je voelt dat de liefde dit van je vraagt, dan is dat toch de beste weg. Kinderen loslaten betekent niet dat je minder van de kinderen houdt. Het betekent alleen dat je de verantwoording aan henzelf geeft in het vertrouwen dat ze in staat zijn hun eigen weg te gaan. Je maakt ruimte voor hun eigenheid. De belangstelling en de liefde voor hen zijn de constanten die, als het goed is, met je hele leven meegaan. In de mate waarin je in staat bent hen los te laten, groeit juist de liefde. Je treedt terug om hen de kans te geven steeds meer zichzelf te zijn.
Loslaten en liefhebben, die combinatie van woorden zullen vandaag in onze stilte misschien terugkomen en eventueel wat helderheid brengen in zaken die in ons dagelijks leven soms problemen opleveren. Hoe verhouden die twee zich tot elkaar en hoe komt het bij degenen die erbij betrokken zijn over?
We vertrekken in alle vroegte door het poortje aan de achterkant van de herberg. We zijn de eersten die op pad gaan. Ontbijten doen we pas bij de eerste pauze. De meeste mensen doen het voor het vertrek. Ons plan is het om twee afstanden te lopen. Dit is eigenlijk te veel voor één dag, maar één afstand was ons te mager. Het blijkt een gemakkelijke weg te zijn met weinig bijzonderheden. In Villanueva haalt de eerste pelgrim ons in, een Italiaan, Louise. Even een goed contact en dan laten wij elkaar weer los. Het is een snelle loper.
De eerste pauze houden we op een pleintje. Er is water, drinkbaar water. Een man houdt zijn hoofd onder de kraan en schudt zich uit zoals een hond dat doen kan. Hij is er klaar voor, heeft duidelijk zin om de pas erin te zetten. Hij snijdt een stuk van de route af, lijkt ons, want hij gaat de ‘verkeerde’ richting in.
Omdat wij niet zo snel zijn, worden we regelmatig door pelgrims ingehaald. Een woord en een groet en dan zijn ze weer verdwenen. We haasten ons niet, nemen een pauze als het nodig is, of op een plek met een mooi uitzicht. Onder andere het uitzicht op Zamora, onze plaats van bestemming. Het landschap is weids. Je kunt de stad al lange tijd zien liggen.
Deze stad heeft in de late Middeleeuwen haar hoogste bloei beleefd. Ze wordt wel het museum van de Romantiek genoemd (bedoeld wordt de romaanse kunst) omdat er zoveel bouwwerken uit de de tijd die ligt tussen 1000 na Christus en midden 13e eeuw, bewaard zijn gebleven. De kathedraal is het belangrijkste monument in Zamora, gebouwd in 1151 in romaanse stijl met prachtige byzantijnse koepels.
Om de stad binnen te komen moeten we over de lange brug (over de rivier Duero). Dan op zoek naar de herberg. We worden vriendelijk ontvangen. Er staan piepkleine plastic bekertjes met water klaar, of was het wijn? Water kan wijn worden weten we uit het evangelie. We worden in het register ingeschreven en ontmoeten nieuwe pelgrims, onder andere Heidi, een vriendelijke Duitse vrouw. Ze loopt alleen en is jonger dan wij.
Er zijn hier 36 bedden. Gelukkig is er plek voor ons. In de Goede week is het moeilijk om een plaats te krijgen, staat er in ons boekje. In deze week zijn er hier veel processies, wel niet vergelijkbaar met de feestelijkheden in Sevilla, maar toch zodanig dat de geluiden tot in de zeer late uurtjes tot ons doordringen. Midden in de nacht, als pelgrims al lang op één oor liggen, is het geluid zodanig, dat de meesten van ons toch even door het raam gaan kijken hoe de optocht verder trekt. Het komt ons allemaal erg vreemd over, die herrie in de week die om veel verstilling vraagt en om een beleving die bij zoveel drukte en uiterlijkheid bijna geen kans krijgt.
In deze stad hebben we de vele kerken lang niet allemaal bewonderd, want de fut om dat ‘museum van de Romantiek’ echt te bekijken restte ons niet meer na een zo vermoeiende en warme dag. We lopen de langgerekte straat door en gaan bij enkele kerken naar binnen. Ze zijn niet allemaal open. We willen ergens een hapje gaan eten, maar in de Goede Week zijn veel gelegenheden dicht. We herinneren dat ons ook van de vorige keer. In de keuken van de albergue maken we zelf wat klaar.
‘s Avonds settelen we ons in het parkje onder de bomen, vlak bij de kerk die aan Cyprianus is gewijd. We zagen er, eerder op de dag, een mooie doopvont. We tekenen en ik maak de bijbehorende haiku. Diny doet dat meestal pas in bed en dat lukt haar dan goed:
San Cipriano,
een kerk uit de twaalfde eeuw,
naast onze herberg
Doopvont uit Gotiek
in een kerk te Zamora,
mooi vorm gegeven
(Cyprianus was in de derde eeuw een belangrijke bisschop en vroeg-christelijke schrijver te Carthago. Hij is pas op latere leeftijd bekeerd en stierf als martelaar).
Dinsdag 19 april: Zamora – Montamarta (18 km)
l’Esprit du Chemin geeft ons het volgende citaat mee van Lao Tse:
Ook een reis van duizend mijl begint met één stap.
Intussen hebben we al veel stappen gezet, niet alleen op dit en andere pelgrimspaden, maar ook op onze levensweg. Nee, we hebben noch voor de pelgrimsweg, noch voor de levensweg een stappenteller bij ons. We leven in dit moment en we wachten maar af hoeveel stappen ons gegeven worden. De stappen téllen is niet zo belangrijk, ze zétten wel, onze ontvangen wijsheid.
We, dat wil zeggen de pelgrims, ontbijten gemeenschappelijk, beneden in de kelder. Harde broodjes en heerlijke jam. Er is ook warme melk. We zijn de eerst aanwezigen en helpen de vriendelijke hospitalero even met het klaarzetten van alles. Hij is zo druk bezig en doet zijn uiterste best voor zijn gasten.Tussendoor maakt hij grapjes.
Het is niet gemakkelijk om de stad uit te komen. Er gaat van alles mis met die stappen waar het citaat over handelt. We zijn vroeg vertrokken, zoals altijd. Drie Italianen vertrekken tegelijk met ons. Zij maken fouten, en wij ook. De pijlen zijn schaars en er staan ook andere tekens, waarvan we niet weten of ze voor óns zijn of niet. Steeds twijfelen we, en we blijven veel te lang op een verharde weg. Soms liggen wíj voor, dan zíj weer. We zijn verrast als we hen uit de omgekeerde richting opnieuw tegenkomen. Ook samen kunnen we de juiste route niet ontdekken. Gelukkig spreekt een van hen vloeiend Spaans en met wat hulp komen we uiteindelijk op de goede weg. Dat is altijd een bevrijdend moment waarop we weer rustiger gaan ademen. Of we de stappen nu tellen of niet, we willen er niet meer zetten dan nodig is. Bij het volgende dorp prijken de woorden Ruta de la Plata op een muur. We zitten goed. De T in Ruta is tot staf en kruis gemaakt, mooie symbolen (zie foto bovenaan het verslag).
In het verslag van het eerste deel van deze route (dit staat niet op deze site) schreef ik het volgende:
We beginnen vandaag aan de Ruta de la Plata, vertaald de Zilverroute. Die naam is ontstaan uit een vergissing. De Via de la Plata (Via = weg; Ruta = route; Plata = zilver) was een Romeinse heerweg. In die periode waren er veel goud- en zilvermijnen. Het goud en zilver werd via Mérida naar de havens aan de Middellandse Zee gebracht. Historici uit de XIXe eeuw verklaarden zo deze naam. Maar de huidige geleerden hebben een andere opvatting. Het woord Plata wordt beschouwd als een vervorming van het Arabische ‘BaLaTa’ wat staat voor brede, geplaveide weg. In de Arabische periode was deze route een van de weinig overgebleven brede, geplaveide wegen die nog bruikbaar waren. Van ‘BaLaTa’ werd de eerste a niet uitgesproken, zodat het woord in de loop der tijden evolueerde tot ‘Plata’.
Ik heb deze informatie gevonden in een exemplaar van de Jacobsstaf: een artikel van Mireille Madou in nr. 37 (1998).
De zilverroute bestond al voordat de pelgrimsroute naar het graf van Jakobus is begonnen. Er is documentatie gevonden uit 100 voor Christus. De Romeinen hebben veel wegen aangelegd omdat Spanje rijk was aan grondstoffen. Dat was de reden waarom ze Spanje wilden veroveren. Deze wegen hebben ook later een grote functie gehad voor het handels- en militaire verkeer.
De Romeinse keizers hebben ervoor gezorgd dat het aanleggen van de wegen die er provisorisch al waren, vakkundig werd uitgevoerd. Ze werden vijf tot zeven meter breed en op regelmatige afstanden kwamen de mijlpalen te staan, de miliaros. Hierop stond de naam van de keizer die dit deel van de weg had aangelegd. Op de eerste dag zagen we al restanten van dergelijke mijlpalen, vlak voordat we bij de herberg kwamen. Op onze route zullen we meerdere keren, zelfs op de heel smalle paadjes, nog resten van de oorspronkelijke weg tegenkomen. De originele weg is later niet bijgehouden, maar onze route loopt wel ongeveer op die lijn die ook gedeeltelijk samenvalt met de N 630. Onze route vermijdt zoveel mogelijk de verharde weg.
Vandaag geen lange afstand. De drie Italianen zijn in geen velden of wegen meer te zien. Ze nemen er zeker nog een etappe bij. Wíj zoeken de herberg op die iets uit het centrum van Montamarta ligt. Een jongeman op een tractor die in het bosje vlakbij de herberg aan het werk is, vraagt of we willen overnachten. Dat willen we en hij komt al snel om ons alles te wijzen. Er is al iemand als eerste aangekomen, zijn was wappert aan de lijn, maar het wordt donker, de dreigende regen die al snel naar beneden komt, geeft ons vrijaf voor een wasdag.
Later maken we kennis met Roland, een aardige Duitser die wat mankementen heeft aan zijn been. Ik wrijf zijn been in met wat SRL en hoop dat het helpen zal. We eten wat en gaan op verkenning in het dorp, zoeken het begin van de weg die we morgen te gaan hebben. Dat is een dagelijks karwei om ‘s morgens meteen op de juiste plaats te starten. We passeren een kerk met daarvoor een vreemd standbeeld van iemand met een masker. We denken terug aan de nachtelijke optocht in Zamora. Waar verstoppen mensen zich voor? Waar verstoppen wij ons voor? Een mee-nemertje voor de stille momenten onderweg.
Maskers in de Goede week:
is het spel of is het ernst,
een vreemde wereld.
Elke dag zoeken we, na aankomst en douche, een mooi plekje op om rustig te genieten, wat te praten en te tekenen. Het mooie plekje voor vandaag ligt hoog op een heuvel, buiten het dorp, bij het kerkhof met de ruïne van een kerk. Het waait er zeer, maar de regen is opgehouden en de muur geeft ons beschutting. Ver weg van het geroezemoes van pelgrims die hun verhaal kwijt willen of anderszins contact zoeken, zitten we hoog en nu ook weer droog, met uitzicht op het prachtige landschap. Ooievaars cirkelen vlak boven ons hoofd, een inspiratiemoment voor Diny’s tekening en haiku:
Boven in de lucht
twee ooievaars die zeggen:
Wat doen jullie hier?
Het is jammer om weer af te dalen, maar dat gaat er toch van komen. Er zijn inmiddels andere pelgrims aangekomen, zo ook Heidi. We leggen een kaartje met ons leerzame Spaanse kwartetspel, maar Heidi gaat niet in op onze uitnodiging om mee te doen. We krijgen een lekker stukje chocola van haar. Het brood in de winkel was op. We doen het met wat we hebben en het blijkt voldoende.
Woensdag 20 april: Montamarta – Granja de Moreruela (24,3 km + 7 km heen en terug naar abdijruïne)
Het kaartje van l’Esprit du Chemin houdt ons voor:
Als je met beide benen op de grond blijft staan, kom je nergens, uitspraak van Loesje.
Deze woorden doen me denken aan de titel van mijn boek: Pelgrimeren, lopend stilstaan. Met beide benen op de grond blijven staan is iets wat in het leven nogal een grote waardering krijgt. ‘Zweven’ vindt men maar niets. Lopen is een prima mogelijkheid om in jezelf de beweging en de stilstand van je leven onder de loep te nemen. Wat beweegt er in mij en wat staat er stil? Welke lading heeft het ene en het andere woord? Hoe vinden we de balans?
Als we iets voorbij de ruïne van de kerk op de heuvel zijn, daar waar we gisteren zo heerlijk gezeten hebben, zien we met grote letters op de rots staan:
Que Dios te acompañe (Moge God je begeleiden). Daarnaast de gele pijlen die ons, niet mis te verstaan, de weg omhoog wijzen. In stilte lopen we verder. De betekenis van de woorden nemen we mee. We lopen in het vertrouwen dat we begeleid worden.
We passeren een stuwmeer. Het regent een beetje, maar nauwelijks voldoende om een poncho aan te trekken.
Rustig pad. Soms twijfelen we over een afslag als de pijl ontbreekt of onduidelijk is, of als er twee-drie, zwak-gedefinieerde mogelijkheden zijn. Als we in de verte een kolossale ruïne zien liggen, weten we dat we op de goede weg zitten en op historische grond komen. Oorspronkelijk lag hier een complete stad, die ook wel Zamora La Vieja (Zamora De Oude) wordt genoemd. Aan de oorsprong van deze plaats ligt een Keltische nederzetting, Castrum. Het is een strategische plaats door de ligging aan de rivier de Esla. Hier werd door de Romeinen Vico Aquaria gesticht, halteplaats op de Ruta de la Plata. In de Middeleeuwen bleef dit een belangrijke plaats omdat de handelsroute van Castilla naar Galicia hier over de Esla trok. In 1129 kreeg deze plaats stadsrechten. In 1176 werd de burcht van Castrorafe de zetel van de Orde van Santiago voor het koninkrijk Leon. Na de XVe eeuw komt de stad in Portugese handen, maar wordt weer heroverd door katholieke koningen en wordt opnieuw aan de Orde van Santiago gegeven. De stadsmuren worden nogmaals hersteld, maar de volgende eeuwen raakt de stad in verval, wordt verlaten en verdwijnt uit de geschiedenis. Binnen de restanten van de muren bevinden zich de resten van de burcht. Uit de verte ziet het er nog indrukwekkend uit.
Bij Castrorafe:
Jacobsridders bouwden hier
een machtige burcht
Het is weer gaan regenen. De poncho’s niet voor niets meegenomen. We komen tamelijk vroeg op de plaats van bestemming aan, zijn tweede en derde. Roland is er al. In een ongezellig cafeetje dat bij de even ongezellige en ‘kruiperige’ herberg hoort moeten we ons inschrijven en kunnen we een hapje eten voor pelgrimsprijs, niet bepaald geslaagd. Onze eigen gecreëerde ensaladas mixtas zijn lekkerder.
Natte schoenen worden voorzien van waterzuigende kranten en met de neus naar boven opgesteld tegen de muur van de overdekte ruimte. Naar gelang de dag vordert hangen er binnen op de gekste plaatsen spullen te drogen, voor open ramen, op de treden van de stapelbedden, over een kruk, aan een uitstekende spijker, op een dweilstok… De vloer bij de wastafel is nat. Af en toe gaat
er een dweil over, maar het helpt nauwelijks. We douchen, waarna ik de tijd neem voor een boodschap en een verkenningstocht. Diny gaat even rusten.
In de namiddag hebben we nog tijd om naar een andere ruïne van het monasterio van O.L.V. van Moreruela te gaan, een kleine vier kilometer verder. We komen de man van Mireille tegen die ons de weg uittekent in het zand. De ruïne maakt grote indruk op ons.
Het klooster werd gesticht in 985. In de beginperiode was het toegewijd aan de apostel Jakobus, (= Santiago, San Jago). In 1143, onder koning Alfonso VII, nam het klooster de Cisterciënzerregel aan en werd het belangrijkste klooster van deze orde in Spanje. Het klooster genoot de gunst van koningen die er ook begraven werden.
Van hieruit werden er andere kloosters gesticht. Later vestigde zich hier enige tijd een militaire ridderorde. Toen er nog weer later lekenabten kwamen, die op de bezittingen uit waren, kwam het klooster tot verval. In de XIXe eeuw was het geen klooster meer. Het werd gedeeltelijk afgebroken, maar ook de restanten maken veel indruk. Het is in 2007 nog gedeeltelijk gerestaureerd. Je ziet resten van Romaanse en Gotische elementen. Ook de ooievaars vinden in de bouwval een plaats voor hun nest. We lopen wat rond en ademen de sfeer in. Het klooster ligt midden tussen de weilanden op een eenzame plek.
Abdijruïne,
schoonheid uit oude tijden,
uitstraling gaat door
We moeten ons haasten om nog net op tijd voor winkelsluiting terug te zijn, waarna we in een parkje onze lekkere salada mixta met brood, verorberen.
Intussen horen we gerommel in de lucht. Er is zwaar weer op komst. Als we omhoog kijken schrikken we. De lucht kleurt met de seconde donkerder. Mensen lopen sneller om binnen te zijn voordat een stortbad, als een ‘geschenk’ uit de hemel, op hun hoofden neer zal kletteren. Ook wij pakken snel ons boeltje bij elkaar en lopen als kwieke hazen naar de herberg en er voorbij, want ernaast is een informatiecentrum waar we, met behulp van maquettes en beelden, veel te weten (kunnen) komen over de historie van het klooster. Nat zijn we wel geworden, maar we zijn erop gekleed.
Vandaag zijn we in elk geval niet met beide benen op de grond blijven staan (advies van Loesje). We hebben geen spijt van de extra afstand naar de abdijruïne, die zeer veel indruk op ons maakte. We zijn aan rust toe en gaan vroeg slapen, willen morgen bijtijds op. Ruimte om in deze herberg op een stil plekje te zitten is er toch niet. Voordat we gaan slapen krijgt Roland nog een zalfje van me. Met zijn lange benen loopt hij toch snel en goed, maar de pijn is nog niet weg.
Morgen splitst de route zich. Men kan over Astorga gaan in noordelijke richting en daarna aansluiten op de Ruta Francés, de meest gebruikte route vanuit Frankrijk. Het grootste aantal pelgrims doet dat niet en buigt nu af naar het westen. Dit is de Mozarabische Jakobsweg.
Witte Donderdag 21 april: Granja de Moreruela – Tábara (26,7 km)
l’Esprit du Chemin blijft ons in de stille wandeluren vergezellen. Vandaag een citaat van Konstantinos Kavafis (1863-1933):
Als je de tocht aanvaardt naar Ithaka, wens dan dat de weg lang mag zijn, vol avonturen, vol ervaringen.
(Ithaka is een van de Ionische eilanden en een gelijknamige gemeente. Volgens de Odyssee van Homerus was Odysseus koning van dit eiland).
Onze tocht is zeker ook enigszins avontuurlijk en we ervaren in elk geval dat we al ‘eeuwen’ onderweg zijn al is het pas nauwelijks een week. Een veelheid van indrukken, landschappen, mensen, talen enzovoort. Al is er veelheid, toch wil de pelgrimage ons brengen tot een eenheidservaring, een ervaring waarin de grenzen vervagen, omdat alles in het ene is opgenomen en allen in de Ene aanwezig zijn. Tijdens het stille lopen, ademen we dat gevoel van eenheid regelmatig in. Het is een groot geschenk.
De tocht van Odysseus was niet zonder gevaren. Hoe zal de onze zijn?
Vertrek om 06.10 uur. Het is een gemakkelijk te vinden route. Aanvankelijk wel saai, veel rechtgemaakte weggetjes die geen twijfel toelaten. Soms maakt twijfel een tocht een beetje ‘leuk-spannend’. Vandaag echter geen kiezels, geen modder, geen gebrek aan pijlen, dat is heel wat anders dan de weg naar Ithaka.
We komen door het dal van de Esla, een klein paradijsje, wordt het genoemd in de beschrijving. Er moeten hier zwarte ooievaars, aalscholvers en reigers te zien zijn, maar momenteel zijn die blijkbaar ergens anders.
Op onze ‘esprit-kaart’ gaat het ook over een dal, maar dan in ‘negatieve’ zin. Een mens kan in een dal zitten als het allemaal te zwaar wordt. Wij hebben daar in het geheel geen last van. Het is hier schitterend, het loopt gemakkelijk, het weer is goed, onze conditie mag er zijn, we voelen ons blij en ontspannen. Wat willen we nog meer? Een mooie brug met vele bogen brengt ons naar de overkant van de Esla. Daarna is er een splitsing voor wandelaars en fietsers. Wij beginnen aan een klauterpartij over rotsformaties. De fietsers worden eromheen geleid maar wij laten ons, omwille van het gemak, het mooiste deel van de tocht niet ontnemen. Aanvankelijk volgen we de rivier.
Brug over de Esla
natuur en architectuur
vullen elkaar aan
Oogstrelend uitzicht, we zien nu ook de oude brug die vroeger door pelgrims gebruikt werd. Verderop doorkruisen we steeneikenbossen. Bossen, zoals we die ook bij het eerste deel vanuit Sevilla vaak gezien hebben. Soms moeten we wat klimmen, dan weer dalen, steeds ver van welk verkeer ook. We komen ten slotte uit op de gewone weg. In de verte zien we een wandelaar in supertempo naderen. Vast geen pelgrim, denken we, maar toch, en nog wel een landgenoot van ons, Kees is zijn naam. Hij komt uit Schoonhoven, loopt zo licht als een veertje en is niet bang voor een vijftig kilometer per dag. Dat lijkt meer op topsport dan op pelgrimage. Even lopen we samen op, hij in langzamer tempo dan hij gewend is en wij wat sneller, maar al ras verdwijnt hij weer uit ons gezicht en hebben wij het nakijken. Wel zo rustig om je eigen ritme te kunnen hernemen.
Onze bestemming ligt vandaag in Faramontanos de Tábara. Door wegwerkzaamheden is het even puzzelen om op de goede plek binnen te komen. Een afwijkend graspad, nauwelijks begaan, wat modderpaadjes, een kronkeling langs een slootje, een piepklein bruggetje en warempel, daar vinden we de tekens weer. De Romaanse kerktoren van het 11e eeuwse klooster San Salvador als oriëntatiepunt en een cafébaas die voor ons een sleutel heeft, zo komen we, na de niet al te kleine plaats doorkruist te hebben, in de herberg met het rode dak, aan de woongrens. Weer treffen we Roland hier aan. Onderweg hebben we hem niet gezien, mogelijk anders binnen gekomen. Er is al een ernstig kijkende gast in de herberg. Ook na kennismaking legt hij zijn sereniteit niet af. Later zien we hem in de gemeenschappelijke ruimte zitten. Hij schrijft en schrijft en schrijft. Het papier is zijn maatje. In de loop van de middag komt er iemand uit de buurt een praatje maken met een Bask die iets eerder is aangekomen. Luidruchtig, luidruchtiger, het allerluidruchtigst. Het duurt en het duurt… Als de man eindelijk weg is verzucht Diny uit de grond van haar hart: ‘Rust’ en de ‘schrijver’ die nog op niets en niemand heeft gereageerd, verstaat wat ze zegt, al kent hij geen woord Nederlands. Hij schenkt haar, wat hij nog aan niemand geschonken heeft, een volle glimlach.
We zoeken tevergeefs of we ergens een Witte Donderdagviering mee kunnen maken, maar het lukt ons niet. We zijn te moe om lang te zoeken. Wel heel jammer! In gedachten herdenken we deze bijzondere dag en zijn verbonden met allen die dit mooie feest in kerkelijk verband vieren. En wat er in onze knapzak zit, dat delen ook wij we met elkaar. Wat het voeten wassen betreft, hoezeer zijn pelgrims afhankelijk van hun voeten en hoe wordt er voor elkaar zorg gedragen als er iets mee mis is!
Witte Donderdag,
brood en wijn op de tafel:
meer dan ‘t gewone
De weg voor morgen heb ik verkend. Omdat de herberg aan de grens van het dorp ligt, vlak bij de route, kunnen we van hieruit snel bij de gele pijlen komen die ons de weg wijzen, zonder terug door de stad te hoeven. De taken zijn volbracht, het was een vreemde, kale Witte Donderdag, waarop ik de liturgische viering wel heb gemist, maar evenzeer een bijzondere dag. Morgen Goede Vrijdag.
Goede vrijdag 22 april: Tábara – (Santa Croya de Tera) – Santa Marta de Tera (23,2 km)
Het citaat van l’Esprit du Chemin:
Je valt niet omdat je zwak bent, maar omdat je denkt dat je sterk bent.
Een Jiddisch gezegde
De begeleidende tekst op de kaart gaat over steun krijgen. De staf is het symbool. We lopen allebei met stokken en hebben daar ook werkelijk steun aan. Maar steun reikt veel verder dan de stokken. Tijdens deze tocht zijn we minstens elkaar tot steun.
Uitdagend is de vraag welk (levens)motto je in je staf zou kerven. Als ik er over nadenk schiet me een tekst te binnen die me dierbaar is en al het grootste deel van mijn leven met me mee heeft gereisd. Die tekst hoeft echt niet in mijn staf gekerfd te worden (als ik een houten staf zou hebben), want die tekst is in mijn hart gegrift, een veilige plaats. De woorden luiden:
Nooit meer alleen te zijn is liefdes vrucht,
in alle eilanden van onrust, een eiland van rust.
Ze zijn óf van A.Roland Holst óf van H.Roland Holst.
(Ik kan niet meer terugvinden waar ik ooit dit citaat gevonden heb. Mocht iemand de tekst kennen of vinden dan graag een berichtje).
Als ik deze woorden een warm hart toedraag, betekent dat niet dat eilanden van onrust zomaar in het niet verdwijnen vanuit de ervaring nooit meer alleen te zijn. Die ervaring mag me dan soms overkomen, maar is niet zomaar oproepbaar of vanzelfsprekend. De weg ernaartoe is er een van overgave en vertrouwen, ook van geloof. Een vrucht van de liefde staat er in de tekst. Overgave en geloof, het wéten, (niet het voelen) dat je gedragen wordt in alle levensomstandigheden. Het leven is net als het landschap dat voor ons ligt: er zijn ups en downs. Het gaan op die weg is een pelgrimstocht. Eenmaal iets van het geheim achter de geciteerde zin ervaren, kan het terugdenken daaraan op moeilijke ‘daldagen’ (als er eilanden van onrust zijn), een echte steun zijn. En elke nieuwe lichtende ervaring maakt de zekerheid sterker dat je nooit alleen bent en dat de eilanden van rust voorhanden zijn als je je in lliefde toe kunt vertrouwen aan de Ene die je liefheeft.
Afgezien van wat modderpaden, wat stijgingen en dalingen, doen zich geen bijzondere moeilijkheden voor. We passeren enkele wijngaarden die, met de gave van regen en zonneschijn, al een begin hebben gemaakt met uitlopen. Populierenbosjes en nogmaals een steeneikenbos, al lopend verandert het landschap telkens. Midden in het bos staat een soort schuilhut die door mensen van het pension in Santa Croya de Tera daar is neergezet.
Veel pelgrims stoppen in die plaats. Dit, omdat er in de volgende plaats alleen maar een noodvoorziening is voor pelgrims. Wij lopen, in verband met de route-indeling, verder. Het maakt ons niet veel uit als we wat primitief moeten slapen. Een gemeentehuis met matrassen lijkt ons ook oké. In Santa Marta de Tera, ons doel, gaan we op zoek naar het zeer oude beeld van Jakobus aan de buitenkant op de kerk. We lopen om de kerk heen en vinden het. Ook een prachtige vlechtrand, waarvan Diny later een deeltje reproduceert op het tekenpapier. We komen op tijd voor de avonddienst van Goede Vrijdag, treffen er later Mireille en haar man en ook Heidi aan, die, na het kerkbezoek, weer teruggaan naar Santa Croya waar ze overnachten.
Het grootste deel van de kerkgangers loopt mee langs de staties. De gezangen zijn devoot, komen voort uit de traditie van jaren. Het refrein kent iedereen van buiten. Als we bijna aan het einde van de kruiswegstatie zijn gebeurt er wel iets heel naars. Een man zakt in elkaar. Grote beroering. De ceremonie stopt om eerste hulp te kunnen verlenen. Het is een zware man. Er verzamelen zich paniekerig allerlei mensen om hem heen. Iemand praat tegen hem, probeert contact te krijgen, een vrouw geeft hem een fikse tik op zijn wang, maar ‘wakker’ wordt hij niet. Mensen proberen hem onhandig overeind te krijgen. Dat lukt niet.
We weten niet hoe het afgelopen is. Zou hij op Goede Vrijdag rond het uur waarop het sterven van Christus herdacht werd, ook zijn leven gegeven hebben? Het kaartje van vandaag handelde over steun ontvangen en steun geven. Het is Goede Vrijdag. In de kruiswegstaties komt het driemaal voor dat Jezus erbij neervalt. Er zijn mensen die hem steunen, al kunnen ze niet overnemen wat hij te dragen heeft. In deze viering valt er een man zomaar neer. Mensen omringen hem. Bij elke ‘val’ in de wereld van vandaag, zijn er mensen nodig die er voor de anderen zijn. We zijn geroepen om elkaars hoeders te zijn, naar het voorbeeld van de Ene, die tot broeder werd van alle mensen.
Het kruis staat centraal,
devote weg langs staties
en doorleefde zang
Hier geen ‘poppenkast’.
Kruisweg en kruisverering,
een gewijde sfeer
De ‘poppenkast’ in de haiku van Diny slaat op de ervaring in Zamora, en ook de ervaring van twee jaar geleden in Sevilla en omliggende plaatsen. De drukte, de verkleedpartijen, de ballonnen, de kraampjes, de maskers, de geluiden tot diep in de nacht.
Een zaal van het gemeentehuis is ingericht als simpele herberg. Er liggen wat matrassen op de grond en er zijn zelfs meerdere schermen die je om je slaapplekje heen kunt zetten. Werkelijk een luxe. We voelen ons vorstelijk, een stoel langs ons bed en verderop een magnetron om wat eten warm te maken. Er is een douche. Onderweg waren de schaarse winkels die we passeerden gesloten vanwege Goede Vrijdag. Aankomend ging ik er meteen op uit om toch nog wat eetbaars te kunnen bemachtigen. Er moest hier een winkel zijn. Ik kon hem niet vinden. Als de winkels gesloten zijn verschillen ze niet van gewone woonhuizen. Opeens begint de regen met bakken uit de hemel te vallen, mijn poncho ligt in het gemeentehuis. Een man met een paraplu wenkt me en ik kruip onder zijn ‘dak’. Daar lopen we samen. Hij geleidt me naar de winkel. Cerrado (gesloten), maar een vrouw op de straat schiet gedienstig toe en krijgt het klaar dat het ‘sesam, open u’ ook deze keer gebeurt. Kleine wondertjes zijn die ‘toevalligheden’ die niet als toevalligheden ervaren worden. Het maakt me zo dankbaar. Zelfs op Goede Vrijdag hoefden we het niet helemaal zonder eten te doen.
Wat later komen er nog fietsers aan, ook doorweekt. Iedereen zoekt een eigen plekje en gaat vroeg slapen, want het licht dooft automatisch. Het wordt vanuit een centraal punt buiten het gebouw bediend.
Paaszaterdag 23 april: Santa Marta de Tera – Mombuey (37 km)
l’Esprit du Chemin. Elke dag heeft een thema op de kaartjes. Tot nu toe heb ik de thema’s niet genoemd. Respectievelijk waren het de volgende: De oproep / Het vertrek: voorbereiding / Het vertrek: het afscheid / Op reis: de eerste etappe / Op reis: de berg / Op reis: de beproeving. Vandaag luidt het thema ‘Op reis: de vrolijke herberg’.
De opdrachten en citaten geven soms meer, soms minder te denken. We kunnen een keuze maken uit de mogelijkheden. Samen praten we er niet echt over, maar we nemen het ieder op eigen wijze mee. Vandaag handelen de suggesties over het thuisgevoel. De vraagstelling is zodanig gesteld, dat je gefocust wordt op het je thuisvoelen bij jezelf (onafhankelijk van de plek waar je bent). Het citaat:
Door trouw te blijven aan jezelf, zorg je uiteindelijk ook het beste voor de ander.
Het zal een uitzonderlijk lange dag worden. We zijn iets over zessen al aan het lopen. Het is afnemende maan, maar we hebben nog voldoende licht. Het is wel erg koud, tegen het vriezen aan. Ik ben blij met mijn wanten. Wat later is het nevelig, de tekens zijn duidelijk genoeg te zien. De witte brem staat er op zijn feestelijks bij, op zijn paasbest. Morgen is het Pasen. De hele dag door zien we deze brem.
We passeren Calzadilla de Tera, waar geen herberg zou zijn en komen uit bij een ingestorte kerk. Eén wand staat nog steil omhoog, getekend in de lucht, verder bouwval. We nemen er toch een kijkje en zien een vervallen ruimte met scheve kruizen en zerken tussen een hoop stenen en rommel.
Vervallen glorie
naast de middeleeuwse pracht
van Goede Vrijdag
Op een bankje pauzeren we even en dalen dan af via een heel smal paadje langs de kerk om onze weg te vervolgen: populierenbosjes en dan op naar Ollores de Tera (Tera is de naam van een riviertje). Een uitzonderlijk grote, vriendelijke vrouw met een blauwe schort groet ons en zegt iets wat we niet goed verstaan. We groeten hartelijk terug. Na Ollores lopen we over kronkelende wegen langs een stuwmeer links van ons. Een volgend dorp dient zich aan: Rionegro del Puente (‘puente’ betekent brug). Hier willen we een boodschap doen. Cerrado. Al weer gesloten, bij de bar kunnen we brood krijgen en er is een kleine groentemarkt op een plein. Lopen we nog verder? Liever wel. Nog 9,5 km. De weg splitst zich in een deel voor fietsers en een voor wandelaars. We riskeren het lager gelegen wandelpad, dat heerlijk zacht is, op sommige plaatsen wel wat al te drassig. We verdwijnen in een bosje en komen weer bij een breder pad uit. De weg naar Mombuey stijgt licht. Dat kunnen we wel aan, al zijn we moe aan het worden.
De kleine herberg ligt in de buurt van een grote kerk met een machtige romaans-gotische klokkentoren. Als we er aankomen, kunnen we onze ogen niet geloven. Wie ligt daar op bed? Mireille. Zou ze de bus genomen hebben, misschien gedeeltelijk? Dat kan bijna niet anders. Ook de Bask is vertegenwoordigd. Hij heeft last van zijn bil en is naar een dokter gegaan. Later horen we dat hij een spuit heeft gekregen. De volgende dag zou hij weer kunnen lopen. Een andere vrouw, Rosa huist hier al dagen, ook wegens mankementen. Ze kan bijna niet lopen en een bus nemen vindt ze niet bij een pelgrimage passen. Morgen wil ze toch verder, maar of dat gaat lukken is een grote vraag.
Aan de hand van ons kwartetspel oefen ik met haar het Spaans en zij het Nederlands. We hebben veel lol om elkaars uitspraak. Het verbindt wel als je probeert, hoe gebrekkig ook, contact met anderstaligen te maken. Intussen weten we hoe laat de paaswake is. We zijn moe, maar willen de viering niet missen. We krijgen allemaal een houdertje met heel kort kaarsje en trekken naar buiten. Het is al tamelijk donker. Het vuur flakkert, gezichten dichtbij lichten op, de paaskaars wordt ontstoken. Gebeden en rituelen volgen elkaar op. Dan wordt het licht van hand tot hand doorgegeven. Gezichten komen tevoorschijn. Eerbied en stilte, gedachten, gevoelens, het is er allemaal. Als alle lichtjes van de aanwezigen branden gaan we in processie naar binnen. Ontroerend, wie weet wordt er nu ook een zacht licht ontstoken op ieders mooiste plekje, het plekje waar hoop is en vertrouwen, waar warmte is en genegenheid, het plekje van vrede dat mensen altijd in zich dragen in de verborgenheid, ook als het donker is. In de paasnacht herontdekken we samen misschien dat plekje.
Paasnacht in Mombuey:
naar buiten voor het paasvuur,
licht in het donker
Zie verder deel 2





