Kerstgedachte van Clara

Kerstgedachte van Clara

In haar derde brief aan Agnes van Praag schrijft Clara:

…de hemelen samen met alle andere schepselen
kunnen de Schepper niet bevatten*;
alleen de ziel van de gelovige is zijn woning en zetel,
en dit alleen door de liefde…

Met Kerstmis vieren we dat God tussen ons in komt wonen. We beelden het graag uit met een kerststal, met Maria en Jozef en herders met schapen, met wijzen en kamelen en zelfs met een os en een ezel. Alle figuren in de kerststal zijn gericht op dat kind in de kribbe: Immanuël, God-met-ons.

God wordt mens in dit kind, dat liefde vragend en tegelijk liefde gevend zijn handen naar ons uitstrekt. Met Kerstmis mogen we dit vieren.

Clara nodigt ons in de boven aangehaalde tekst uit om een stap verder te gaan. God wil immers ook mens worden in ons. Hij wil wonen in ons binnenste, in onze ziel. Hij is daar al mee begonnen, ook al is ons geloof nog maar wankel en zwakjes, en ook al doordringt dat geloof nog lang niet heel ons doen en laten.

Dat hij in ons binnenste wil wonen zouden we ons misschien beter voor kunnen stellen als we, kijkend naar de het middelpunt van de kerststal, de kribbe, onszelf daar een plaats zouden geven. Zoals God in Jezus mens wilde worden, in Jezus wóónde, zo wil Hij dat ook in ons. Niet alleen omwille van onszelf, maar tevens omwille van de wereld om ons heen, zoals dat ook in en door Jezus gebeurde.

En, nog een stapje verder: we mogen zo ook elke medegelovige zien op de plaats van de kribbe. In ieder van hen woont God, ook al is hun geloof, net als het onze, nog wankel en zwakjes, en ook al hebben zij, net als wij, nog allerlei onvolmaaktheden. Vanuit al deze ‘woonplaatsen’ mogen wij Gods liefde ontvangen en doorgeven aan de wereld om ons heen.


Ricky Rieter – Jan van Beeck

* Vgl. 1 Koningen 8,27 en 2 Kronieken 2,5

***

***

Wonen, waar en hoe?

Waar hij woont
en hoe hij woont
in stal of paleis,
in hut of villa,
in krot of kasteel

bij armen of rijken
bij gebrokenen of geheelden,
bij zwarten of blanken,
bij geborgenen of ongeborgenen,

waar hij ook woont
en hoe hij ook woont,
altijd
zal hij aanwezig
willen zijn
in de binnenruimte
van elke mens,
die verborgen ruimte
van ons innerlijk,
door onszelf maar
ten dele gekend.

Ons hart is de deur
van stal of paleis,
de deur die onze ruimte
openstelt voor hem.

Nu zijt wellekome!

Ricky Rieter