Franciscus: broederschap en zusterschap met iedereen en alles
Inhoudsoverzicht

1. Voorbemerkingen
2. Franciscus en God als zijn Vader
3. Franciscus gaat iedereen en alles als zijn broeder (zuster) zien
4. ‘Broeder’ (‘zuster’) ligt in de joods-christelijke traditie
5. Broederschap (zusterschap) is vanouds problematisch
6. Nieuwtestamentische teksten i.v.m. problemen in broederschap (zusterschap)
7. Franciscaanse teksten i.v.m. problemen in broederschap (zusterschap)
8. Broederschap (zusterschap) is een model voor vrede
Bronnen en literatuur

***

1. Voorbemerkingen

Broederschap en zusterschap

Het Nederlands kent helaas geen overkoepelend woord voor ‘broeder’ en ‘zuster’ (zoals in het Indonesisch saudara, in het Papiaments ruman). Ik spreek daarom doorgaans van broeder- en zusterschap, broederschap (zusterschap), broeder- en zusterrelatie. Soms gebruik ik echter slechts een van de twee termen, als dat namelijk in de context meer voor de hand ligt. De lezer(es) gelieve waar nodig de andere variant erbij te denken.

Vriendschap naast broederschap en zusterschap

Op het eerste gezicht lijken broederschap (zusterschap) enerzijds en vriendschap anderzijds ongeveer hetzelfde te betekenen. Vriendschap en broederschap (zusterschap) hebben allebei met liefde te maken en zijn allebei omkeerbare relaties: A is voor B wat B is voor A. (Andere omkeerbare relaties zijn bijv. buren, collega’s, klasgenoten). Maar er is een groot verschil: vrienden, vriendinnen kies je zelf uit; broeders en zusters krijg je, tegen wil en dank. Dit verschil heeft grote gevolgen.

Broederschap en zusterschap als model voor vrede

Een broeder- en zusterrelatie wordt je gegeven, tegen wil en dank. Tegen een vriend of vriendin kun je zeggen: ik ben je vriend niet meer; tegen een broer of zus kun je niet zeggen: ik ben je broer (zus) niet meer. Je bent het en je blijft het. Daarin schuilt de kracht van een broeder- en zusterrelatie: of je wilt of niet, je moet het met elkaar redden, wil je samen gelukkig zijn. Dit onontkoombare geldt ook voor veel conflictsituaties, bijv. Joden en Palestijnen, Singalezen en Tamils, in eigen land en straat allochtonen en autochtonen, in eigen parochie of gemeente conservatieven en progressieven, enz. Zodra je, over allerlei grenzen heen, elkaar als broeders en zusters accepteert, heb je een basis voor vrede. Zo is de broeder- en zusterrelatie een model voor samenleven in vrede.

Broederschap en zusterschap als getuigenis

Broederschap en zusterschap verwijzen naar minstens één gezamenlijke ouder. In christelijke context verwijzen broederschap en zusterschap naar de Vader (eventueel ook naar de Kerk als moeder). Wanneer wij elkaar als broeder of zuster accepteren, getuigen wij daarmee – ook zonder het uitdrukkelijk te zeggen – dat wij een gemeenschappelijke Vader hebben.

Allerheiligen***

2. Franciscus en God als zijn Vader

Een van de elementen in de roepingsgeschiedenis van Franciscus van Assisi is dat hij God ontdekt als zijn Vader. Dit is uiteraard een ontwikkeling die normaal is voor iedere christen. Bij Franciscus leidt deze ontdekking tot een leven in bezitloosheid; hij kan immers voor al zijn noden op de hemelse Vader vertrouwen, en dat doet hij ook. De volgende tekst uit de Grote levensbeschrijving (Legenda Major) door Bonaventura laat deze overtuiging duidelijk zien:

Vervolgens zette de vader, wiens aardse zoon Franciscus was, er zijn zinnen op zijn zoon, het kind van de genade, nadat hij hem eerst dat geld afgenomen had, ook nog voor de bisschop van de stad te brengen. Hij wilde namelijk dat zijn zoon officieel in diens handen afstand zou doen van alle rechten die hij op het vaderlijk bezit zou kunnen doen gelden, en dat hij alles wat hij verder nog had, aan hem terug zou geven. In zijn oprechte liefde voor de armoede maakte Franciscus hiertegen niet het minste bezwaar. En toen hij voor de bisschop verscheen, aarzelde hij geen ogenblik en duldde hij niet het geringste uitstel. Zonder een woord te zeggen of een ander de kans ertoe te geven, ontdeed hij zich onmiddellijk van al zijn kleren en gaf ze aan zijn vader. (…) Daarna gooide hij, door een wonderlijke, hem bedwelmende innerlijke gloed in vervoering meegesleept, ook zijn lendendoek af en zei, terwijl hij zich zo in volle naaktheid aan aller ogen prijsgaf, tot zijn vader: ‘Tot nu toe heb ik u op aarde mijn vader genoemd, maar van nu af aan mag ik met recht zonder enige schroom zeggen: Onze Vader, die in de hemel zijt, in wiens handen ik mijn hele rijkdom heb gelegd en op wie ik heel mijn hoopvol vertrouwen heb gesteld.’ Toen de bisschop dit zag, stond hij terstond vol bewondering voor de mateloze bezieling van de man Gods op, sloeg wenend zijn armen om hem heen en hulde hem in de mantel die hij droeg.
Bonaventura, Legenda Major 2,4

***

3. Franciscus gaat iedereen en alles als zijn broeder (zuster) zien

Uit de relatie met de Vader volgt logischerwijze de broeder- en zusterrelatie met ieder ander die ook God als Vader heeft. Als Franciscus van Assisi volgelingen krijgt, noemt hij hen broeders. Hij had de volgelingen ook bijv. leerlingen kunnen noemen, dan was hijzelf de meester. Dat zou een onomkeerbare relatie opgeleverd hebben. Hij heeft gekozen voor het woord broeders, waarmee hij een gelijkheid aanduidt, een omkeerbare relatie. Bovendien verwoordt hij hiermee het besef dat degene die hij broeder noemt hem gegeven is. Achteraf schrijft hij ook in zijn Testament (nr. 14):

En nadat de Heer mij enkele broeders had gegeven, toonde niemand mij wat ik moest doen, maar de Allerhoogste zelf heeft mij geopenbaard dat ik moest leven volgens het model van het heilig evangelie.

Franciscus noemt alle schepselen zijn broeders en zusters

Franciscus ziet de broeder- en zusterrelatie breder dan alleen voor mensen binnen de orde. Ook zijn tijdgenoot en ordesstichter Dominicus is zijn broeder, ook de sultan die hij bezoekt als hij tijdens een kruistocht door alle linies heen breekt. Maar Franciscus gaat nog verder. Zo noemt hij zijn pijnen zusters (Legenda Major 14,2). En Thomas van Celano zegt:

‘Voorts noemde hij alle schepselen zijn broeders en zusters, en met de blik van zijn hart doorzag hij op een uitzonderlijke en anderen niet gegeven manier hun geheimen, alsof hij reeds gedeeld had in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods (Romeinen 8,21).’
Thomas van Celano, Het leven van Sint-Franciscus van Assisi, 81

Op het eind van zijn leven dicht Franciscus de Lofzang van de schepselen (vaak het ‘Zonnelied’ genoemd), waarin hij de zon ‘broeder Zon’ noemt. En Franciscus gaat verder:

Wees geprezen, mijn Heer, door zuster maan en de sterren.
Aan de hemel hebt Gij ze gevormd, helder en kostbaar en mooi.
Wees geprezen, mijn Heer, door broeder wind
en door de lucht, bewolkt of helder, en ieder jaargetijde,
door wie Gij het leven van uw schepselen onderhoudt.
Wees geprezen, mijn Heer, door zuster water
die heel nuttig is en nederig, kostbaar en kuis.
Wees geprezen, mijn Heer, door broeder vuur
door wie Gij voor ons de nacht verlicht;
en hij is mooi en vrolijk, stoer en sterk.
(…)
Wees geprezen, mijn Heer, door onze zuster de lichamelijke dood,
die geen levend mens kan ontvluchten.
Lofzang van de schepselen 5-8.12

***

4. ‘Broeder’ (‘zuster’) ligt in de joods-christelijke traditie

Als Franciscus de woorden broeder en zuster in een brede betekenis gebruikt, staat hij daarmee in een lange joods-christelijke traditie, die teruggaat op de Bijbel. Hier enkele citaten:

Toen Mozes opgegroeid was, ging hij op een dag naar zijn broeders en was getuige van hun dwangarbeid.
Exodus 2,11 (Willibrordvertaling van 1995; de Nieuwe Bijbelvertaling: ‘Toen Mozes volwassen geworden was, zocht hij op een dag de mensen van zijn volk op.’)

Ik, Tobit, heb heel mijn leven de weg van waarheid en gerechtigheid bewandeld; ik heb veel aalmoezen gegeven aan mijn broeders en aan het volk dat met mij naar Nineve in Assur getrokken was.
Tobit 1,3 (WV)

Jezus zelf geeft een brede duiding aan broeder en zuster:

Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet, is mijn broer en zuster en moeder.
Matteüs 12,50

Die brede duiding blijkt ook uit het volgende woord van Jezus:

Jezus zei: ‘Ik verzeker jullie: iedereen die broers of zusters, moeder, vader of kinderen, huis of akkers heeft achtergelaten omwille van mij en het evangelie, zal het honderdvoudige ontvangen: in deze tijd broers en zusters, moeders en kinderen, huizen en akkers, al zal dat gepaard gaan met vervolging, en in de tijd die komt het eeuwige leven.
Marcus 10,29-30

Dat Jezus met ‘broeders en zusters’ zijn leerlingen bedoelt, vinden we ook in zijn ontmoeting met Maria van Magdala:

‘Houd me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.
Johannes 20,17-18

In het verdere Nieuwe Testament is broeder (zuster) de gewone uitdrukking voor de relatie tussen christenen. Febe wordt een zuster genoemd (Romeinen 16,1), Timoteüs een broeder (1 Korintiërs 1,1), evenals Sostenes (1 Korintiërs 1,1), en zo zijn er tientallen voorbeelden aan te halen.

***

5. Broederschap (zusterschap) is vanouds problematisch

In de Bijbel treffen we veel problematische broederrelaties en (in mindere mate) ook problematische zusterrelaties aan. Kaïn vermoordt zijn broeder Abel (Genesis 4,8); Jakob is een rivaal voor zijn tweelingbroer Esau (zie bijv. Genesis 27,19).

Broeder Jozef

Een sprekend voorbeeld van een problematische broederschap vind je in de Jozefverhalen. Ze beginnen in Genesis 37,2 aldus:

Dit is de geschiedenis van Jakob en zijn nakomelingen. Jozef, die inmiddels zeventien jaar was, weidde gewoonlijk samen met zijn broers de schapen en geiten; hij hielp de zonen van zijn vaders vrouwen Bilha en Zilpa, en alle praatjes die over zijn broers de ronde deden vertelde hij aan hun vader door. Omdat Israël al oud was toen Jozef werd geboren, hield hij meer van Jozef dan van zijn andere zonen, en hij had een prachtig bovenkleed voor hem laten maken in allerlei kleuren. De broers zagen wel dat hun vader het meest van Jozef hield. Daarom konden ze Jozef niet uitstaan en kon er geen vriendelijk woord voor hem af.
Genesis 37,2-4

Denk je eens in in de broers van Jozef. Hoe zie je je jongere broer, papa’s lieveling, die aan papa verklapt wat jij verkeerd hebt gedaan, en die (even verderop) gaat dromen dat hij de koning is en jij zijn onderdaan? Het wordt niet jouw lievelingsbroer. Je gaat denken: als die nou eens weg was, wat zou mijn leven dan gelukkig zijn! De broers gaan hem ook daadwerkelijk uit de weg ruimen. De geschiedenis draait er echter op uit dat uitgerekend dit broertje de redder van de familie wordt. Het is de kunst in elke zogenaamd vervelende broer of zus dat kostbare nu al te zien.

Alexander Ivanov (1806-1858): de broers en de zilveren beker

De zussen Martha en Maria

In elke broederschap en zusterschap moeten de lasten eerlijk verdeeld worden. ‘Eerlijk’ betekent niet dat iedereen steeds evenveel van hetzelfde werk doet, maar dat iedereen bijdraagt overeenkomstig eigen gaven. Uiteraard levert dit spanningen en conflicten op:

Toen ze verder trokken ging hij een dorp in, waar hij gastvrij werd ontvangen door een vrouw die Marta heette. Haar zuster, Maria, ging aan de voeten van de Heer zitten en luisterde naar zijn woorden. Maar Marta werd helemaal in beslag genomen door de zorg voor haar gasten. Ze ging naar Jezus toe en zei: ‘Heer, kan het u niet schelen dat mijn zuster mij al het werk alleen laat doen? Zeg tegen haar dat ze mij moet helpen.’ De Heer zei tegen haar: ‘Marta, Marta, je bent zo bezorgd en je maakt je veel te druk. Er is maar één ding noodzakelijk. Maria heeft het beste deel gekozen, en dat zal haar niet worden ontnomen.’
Lucas 10,38-42

Twee zonen, maar nog geen broers

In Lucas 15 geeft Jezus een parabel van een vader met twee zonen. Helaas staat de parabel bekend onder de naam ‘De verloren zoon’, waardoor de aandacht getrokken wordt naar de zoon die in eerste instantie problematisch is. Het gaat in het verhaal echter om de oudste zoon. Als de vader een groot feest aangericht heeft vanwege de thuiskomst van de jongste zoon, wil de oudste zoon dan meedoen met dat feest of niet? We lezen dan in de verzen 27-32:

De knecht zei tegen hem: ‘Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.’ Hij [=de oudste broer] werd woedend en wilde niet naar binnen gaan, maar zijn vader kwam naar buiten en trachtte hem te bedaren. Hij zei tegen zijn vader: ‘Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.’ Zijn vader zei tegen hem: ‘Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.’

Merk op hoe de oudste broer weigert ‘mijn broer’ te zeggen. De knecht zegt: ‘Uw broer is thuisgekomen’, de vader zegt: ‘…je broer was dood en is weer tot leven gekomen’, maar de oudste broer zegt: ‘…nu die zoon van u is thuisgekomen’. Hij weigert de broederrelatie te accepteren. Parallel daaraan ziet hij zichzelf ook niet meer als een zoon! Hij ziet zich als een knecht: ‘Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg’.

Jezus spreekt deze parabel uit met het oog op farizeeën en Schriftgeleerden die niet kunnen accepteren dat Jezus eet met tollenaars en zondaars. De boodschap van Jezus is: durf je te voelen als een broeder of zuster van tollenaars en zondaars. Jouw Vader is hun Vader.

***

6. Nieuwtestamentische teksten i.v.m. problemen in broederschap (zusterschap)

Het idee dat je een broeder of zuster krijgt, geeft ook een grondregel om problemen in broederschap (zusterschap) op te lossen: accepteren (met de logica van ‘een gegeven paard…’). En: erop vertrouwen geaccepteerd te worden…

Het Nieuwe Testament is ontstaan in een groeiende broederschap (zusterschap). Het geeft allerlei aanwijzingen voor het oplossen van problemen in broederschap (zusterschap), waarbij we het accepteren met allerlei nuances en aanvullingen terugvinden. Ik geef hier enkele voorbeelden.

‘Verdraag elkaar uit liefde’

In de volgende tekst wordt de oproep elkaar te verdragen direct verbonden met de Geest en met de Vader, waarin onze eenheid gegrond is:

Ik, die gevangen zit omwille van de Heer, vraag u dan ook dringend de weg te gaan die past bij de roeping die u hebt ontvangen: wees steeds bescheiden, zachtmoedig en geduldig, en verdraag elkaar uit liefde. Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft: één lichaam en één geest, zoals u één hoop hebt op grond van uw roeping, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen, door allen en in allen is.
Efeziërs 4,1

Hoe spreek je je broeder of zuster aan?

Elk woord dat je uitspreekt kan de relatie met je broeder of zuster opbouwen of afbreken. Bij een conflict is het belangrijk dat ik een stap doe tot verzoening.

En ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen ‘Nietsnut!’ zegt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie ‘Dwaas!’ zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan. Wanneer je dus je offergave naar het altaar brengt en je je daar herinnert dat je broeder of zuster je iets verwijt, laat je gave dan bij het altaar achter; ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen.
Matteüs 5,22-24

Zoek de fout bij jezelf

Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? Hoe kun je tegen hen zeggen: ‘Laat mij de splinter uit je oog verwijderen’, zolang je nog een balk in je eigen oog hebt? Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter uit het oog van je broeder of zuster te verwijderen.
Matteüs 7,3-5

De Kerkrede

Een bijzonder hoofdstuk is Matteüs 18, de zgn. Kerkrede of Gemeenterede: hoe ga je in een christengemeenschap met elkaar om? Ik geef hier enkele verzen:

(vers 15) Als een van je broeders of zusters tegen je zondigt, moet je die daarover onder vier ogen aanspreken. Als ze luisteren, dan heb je ze voor de gemeente behouden.

(vers 21-22) Daarop kwam Petrus bij hem staan en vroeg: ‘Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken? Tot zevenmaal toe?’ Jezus antwoordde: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven.’

(vers 35) Zo zal mijn hemelse Vader ook ieder van jullie behandelen die zijn broeder of zuster niet van harte vergeeft.

Eén vader, allen broeders en zusters

In zijn rede over de Schriftgeleerden en farizeeën formuleert Jezus heel duidelijk de broeder- en zusterrelatie binnen de gemeenschap en verbindt daarmee de relatie met de ene Vader:

Jullie moeten je niet rabbi laten noemen, want jullie hebben maar één meester, en jullie zijn elkaars broeders en zusters. En noem niemand op aarde vader, want jullie hebben maar één vader, de Vader in de hemel.
Matteüs 23,8-9

***

7. Franciscaanse teksten i.v.m. problemen in broederschap (zusterschap)

Ook de franciscaanse bronnen zijn ontstaan in een groeiende broederschap (zusterschap) en reflecteren onder andere op de moeilijkheden die daarin opkomen. Daardoor vinden we in deze geschriften aanwijzingen hoe we problemen in broederschap (zusterschap) kunnen voorkomen dan wel oplossen. Hier volgen enkele teksten, waarin trouwens vaak citaten uit het Nieuwe Testament verwerkt zijn.

Je broeder hoogachten

En overal waar broeders zijn en op elke plaats waar zij elkaar treffen, moeten zij op geestelijke wijze en van harte naar elkaar omzien en elkaar zonder klagen hoogachten (1 Petrus 4,9).
Regel van de minderbroeders, voorlopige redactie 7,15

Het is niet vanzelfsprekend dat je je broeder hoogacht! Je moet er vaak bewust voor kiezen dit te doen. Vaak zie je de fouten van een ander veel gemakkelijker.

Je broeder liefhebben

En de een mag de ander gerust zijn nood kenbaar maken, opdat die zoekt wat hij nodig heeft en hem zo dient. En laat ieder zijn broeder liefhebben en voeden, zoals een moeder haar kind liefheeft en voedt; daartoe zal God hem de genade geven.
Regel van de minderbroeders, voorlopige redactie 9,10-11

Een belangrijke ervaring: God kan je de genade geven dat je je broeder (zuster) kunt liefhebben. Je kunt God dus ook om die genade vragen. Vooral als je je verwond voelt door de fouten die een broeder (zuster) naar jou toe gemaakt heeft, is het een uitweg God te vragen dat Hij je laat zien hoe Hij van die broeder (zuster) houdt.

Een broederschap (zusterschap) waarvan de leden elkaar liefhebben vanuit Gods genade, zal naar de buitenwereld Gods genade uitstralen.

Het volgende citaat bestaat uit een aaneenrijging van citaten uit het Nieuwe Testament. Het laat zien hoezeer Franciscus daarin zijn inspiratie vond om richting te geven aan zijn broederschap:

En alle broeders moeten oppassen dat zij niet kwaadspreken of bekvechten; zij kunnen beter de stilte bewaren zo vaak God hun daartoe de genade geeft. En zij mogen ook niet ruziën onder elkaar of met anderen, maar laat ze nederig antwoorden: ‘Ik ben een onnut dienaar’ (vgl. Lucas 17,10).

En zij mogen niet kwaad worden, want wie kwaad wordt op zijn broeder is strafbaar voor het gerecht; wie zijn broeder leeghoofd noemt, is strafbaar voor het gerechtshof; wie hem een domkop noemt, is strafbaar met het hellevuur (Matteüs 5,22).

En zij moeten elkaar liefhebben zoals de Heer zegt: ‘Dit is mijn gebod, dat jullie elkaar liefhebben, zoals Ik jullie heb liefgehad’ (Johannes 15,12).

En zij moeten de liefde die ze voor elkaar hebben, met daden tonen, zoals de apostel zegt: ‘Laten wij niet met woorden of leuzen liefhebben, maar metterdaad en in waarheid’ (1 Johannes 3,18).

En zij mogen niemand belasteren; zij mogen niet klagen of anderen zwartmaken,
want er staat geschreven: ‘Mensen die roddelen en zwartmaken, worden door God gehaat’
(vgl. Romeinen 1,29v).
Regel van de minderbroeders, voorlopige redactie 11,1-8

Niet willen dat je broeder een betere christen is

Het idee dat het aanvaarden van de broeder de weg is om vrede in broederschap te bewaren staat heel duidelijk verwoord in de volgende passage. Een minister (= dienaar, d.w.z. een minderbroeder die leiding heeft over medebroeders) is erg teleurgesteld in zijn medebroeders. Franciscus dringt er bij hem op aan dat hij hen accepteert zoals ze zijn:

Over de toestand van je ziel zeg ik je, zoals ik dat kan: de dingen die je belemmeren de Heer God te beminnen en ieder die een belemmering voor je vormt, broeders of anderen, zelfs al sloegen ze jou, dit alles moet je als genade beschouwen. En zo moet je het willen en niet anders. En dit moet voor jou zo zijn krachtens de echte gehoorzaamheid aan de Heer God en aan mij, want ik weet zeker dat dit echte gehoorzaamheid is. En heb hen lief, die je dit aandoen. En je moet niets anders van hen willen dan wat de Heer je geeft. En heb hen daarom lief en je moet niet willen dat zij betere christenen zijn.
Brief aan een minister 2-7

Overgeleverd zijn aan je broeder

In een broederschap lever je je aan je medebroeders over. Je moet het aankunnen dat anderen over jou beslissen. Franciscus maakt dit aan den lijve mee als hij, op het eind van zijn leven, geen leider meer is. In het geschrift ‘Begroeting van de deugden’ reflecteert hij hierop. Hier volgt het slot (vers 14-18):

En [de gehoorzame broeder] laat zijn zelfzucht afsterven om te gehoorzamen aan de Geest en te gehoorzamen aan zijn broeder en hij is ondergeschikt en onderworpen aan alle mensen (vgl. 1 Petrus 2,13) die er in de wereld zijn, en niet enkel alleen aan de mensen, maar zelfs aan alle beesten en wilde dieren, zodat die met hem kunnen doen wat ze willen, voor zover het hun van boven door de Heer gegeven wordt (vgl. Johannes 19,11).

Schuld belijden

Uit de Levensvorm (Regel) van Clara licht ik drie passages die praktische aanwijzingen geven om de harmonie in de gemeenschap van zusters (maar het geldt ook voor broeders) te bewaren, resp. te herstellen. Ik citeer ze in de vertaling van Edith van den Goorbergh. De eerste passage betreft het belang van communicatie over gemaakte fouten:

De abdis is verplicht minstens eenmaal per week haar zusters voor het kapittel samen te roepen; daar moeten, zowel zijzelf als de zusters, nederig schuld belijden over gemeenschappelijke en openlijke overtredingen en nalatigheden.
Levensvorm van Clara 4,15-16

Betrek iedere zuster in het overleg

De tweede passage bevat een kostbare aanwijzing uit de Regel van Benedictus (3,3). Iedereen, met name de jongeren, moet in het overleg betrokken worden:

En wat besproken moet worden voor het nut en de goede naam van het klooster, dient zij met al haar zusters te overleggen; want de Heer openbaart dikwijls aan de jongste wat beter is.
Levensvorm van Clara 4,17-18

Hoe los je een conflict met je zuster op?

De derde passage behandelt hoe om te gaan met conflicten die er binnen de zustersgemeenschap kunnen ontstaan. Hier valt de inspiratie uit het Matteüsevangelie op (5,23-24; 6,15; 18,35):

Wanneer het gebeurt, het zij ver van ons, dat door woord of teken tussen zusters onderling ooit aan1eiding tot opwinding of aanstoot ontstaat, dan dient zij die deze opwinding veroorzaakt heeft aanstonds voor zij aan de Heer de gave van haar gebed aanbiedt, zich niet alleen nederig voor de voeten van de ander neer te werpen en vergiffenis te vragen, maar haar ook eenvoudig te vragen om voor haar tot de Heer te bidden dat Hij haar vergiffenis zal schenken.

Laat de ander echter, indachtig het woord van de Heer: ‘Als jullie niet vergeven, zal je hemelse Vader jullie ook niet vergeven’, haar zuster grootmoedig voor alle onrecht, haar aangedaan, vergiffenis schenken.
Levensvorm van Clara 9,6-10

***

8. Broederschap (zusterschap) is een model voor vrede

Tot slot een stukje uit de Fioretti (Bloempjes). Deze geschriften werden in het begin van de 14de eeuw opgeschreven, uit mondelinge overleveringen. Historisch zijn ze misschien niet zo betrouwbaar; wel geven ze een indruk van de sfeer van toen. Opvallend is dat Franciscus een wolf, door iedereen als levensgevaarlijke vijand bestempeld, aanspreekt met ‘broeder’. En daarmee is de vrede gesloten.

Toen Franciscus enige tijd in de stad Gubbio verbleef, dook daar in de buurt een enorm grote, angstaanjagende en bloeddorstige wolf op, die niet alleen dieren maar ook mensen verslond. Omdat die wolf dikwijls in de buurt van de stad kwam, verkeerden alle inwoners van Gubbio in schrik en beven. Ieder die de stad uit moest, deed dat gewapend alsof er oorlog was. Maar met dat al stond men hulpeloos tegen dat woeste beest als men het alleen tegenkwam. Ten slotte kwam het zo ver dat niemand meer de stad uit durfde gaan.

Omdat Franciscus met de mensen te doen had, wilde hij naar de wolf toe, hoewel de mensen hem dat sterk afraadden. Maar hij tekende zich met het heilig kruis en ging met zijn gezellen in vertrouwen op God de stad uit. Toen de anderen aarzelden om verder te gaan, sloeg Franciscus de weg naar de wolf in. Ten aanschouwen van al de mensen die gekomen waren om het wonder te zien, kwam de wolf met opengesperde muil op Franciscus af. Maar toen hij vlakbij was, maakte Franciscus een kruisteken over hem en riep hem bij zich met de woorden: ‘Kom hier, broeder wolf. In Christus’ naam beveel ik je noch mij, noch iemand anders kwaad te doen.’ Zodra Franciscus het kruisteken had gemaakt, sloot de wolf zijn bek en hield zijn vaart in. En op het horen van het bevel ging hij zachtjes als een lam voor de voeten van Franciscus liggen.

Toen sprak Franciscus hem toe: ‘Broeder wolf, je berokkent veel schade in deze streek. Je hebt niet alleen dieren gedood en verslonden, je hebt je zelfs verstout om mensen, geschapen naar Gods beeld, te doden en te verminken. Daarom verdien je als een rover en een moordenaar de galg. Alle mensen beklagen zich over je en heel deze streek is je vijandig gezind. Maar ik wil vrede sluiten tussen jou en hen, broeder wolf, en wel op de volgende voorwaarden: dat jij ze geen kwaad meer doet, en dat zij jou alles zullen vergeven wat je misdaan hebt en je niet meer achtervolgen, de mensen niet en de honden niet.’ Na deze woorden gaf de wolf door bewegingen van zijn lijf, zijn staart en zijn kop te kennen, dat hij aanvaardde wat Franciscus zei.

Daarop vervolgde Franciscus: ‘Broeder wolf, omdat je deze vrede wilt sluiten, beloof ik je ervoor te zorgen dat de mensen van deze streek je steeds te eten zullen geven zolang je leeft, zodat je geen honger meer hoeft te lijden. Want ik weet heel goed dat je door honger gedreven werd. Maar omdat ik je die gunst bezorg, wens ik ook dat je mij belooft nooit meer aan mens of dier schade te berokkenen. Geef me een plechtige verzekering van je belofte.’ Daarop legde de wolf zijn rechter voorpoot in de handen van Franciscus. Samen gingen zij naar de stad om de vrede te bekrachtigen. Als een lopend vuurtje ging dit nieuws door de stad zodat iedereen, jong en oud, groot en klein, man en vrouw, naar de markt toog om de wolf en Franciscus te zien.

Toen ze daar allemaal bijeen stonden, ging Franciscus op een verhoging staan en hield een preek, waarin hij onder andere zei dat God zulke rampen om de zonden toelaat, maar dat de vlammen van de hel nog veel erger zijn dan de vraatzucht van de wolf. ‘Keer u daarom tot God, allerliefsten, en doe oprecht boete voor uw zonden. Dan zal God u in dit leven voor de wolf vrijwaren en in het toekomstige leven voor de hel.’

Daarop zei Franciscus: ‘Luister, broeders, broeder wolf die voor u staat, heeft mij beloofd dat hij vrede met u wil sluiten en u nooit meer in iets zal benadelen, als u belooft hem iedere dag te geven wat hij nodig heeft. Ik sta er borg voor, dat hij dit vredesverdrag zal nakomen.’ Toen beloofde het volk uit één mond, hem steeds te zullen voeden. De wolf gaf zijn rechterpoot aan Franciscus als teken van zijn belofte. Het volk was opgetogen van vreugde en begon luid te jubelen.

De wolf leefde nog twee jaar in Gubbio en ging rustig van deur tot deur, zonder iemand kwaad te doen. De mensen gaven hem vriendelijk te eten en er was geen hond die tegen hem blafte. Na die tijd stierf de wolf van ouderdom. Dat vonden de mensen heel jammer, want hij had hen herinnerd aan de deugd en de heiligheid van Franciscus.

Tot lof van Christus. Amen.
Fioretti 21 (geciteerd door G.P. Freeman)

Jan van Beeck, minderbroeder

***

Bronnen en literatuur

Bijbelcitaten zijn gewoonlijk genomen uit de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004. Citaten met de aanduiding WV zijn uit de Willibrordvertaling van 1995.

Bonaventura, Grote levensbeschrijving van de heilige Franciscus van Assisi, vertaling A.A.C. Sier, Uitg. J.H. Gottmer, in samenwerking met de Franciscaanse werkgroep K 750, Haarlem 1978.

Thomas van Celano, Het leven van Sint-Franciscus van Assisi, vertaling: Rijcklof Hofman, Inleidingen en toelichting: Gerard Pieter Freeman, Uitg. J.H. Gottmer / H.J.W. Becht, Haarlem i.s.m. Franciscaanse Beweging in Nederland en Franciscaans Studiecentrum, Utrecht, 2006.

Franciscus van Assisi, De Geschriften, vertaald, ingeleid en toegelicht door G.P. Freeman, H. Bisschops, B. Corveleyn, J. Hoeberichts en A. Jansen, Uitg. Franciscaanse Beweging, Den Bosch en Uitg. J.H. Gottmer / H.J.W. Becht, Haarlem, 2004.

G.P. Freeman, Umbrië in de voetsporen van Franciscus, Gottmer Reisgidsen, 1994.

Edith van den Goorbergh, Clara van Assisi. Mystiek in het alledaagse: Levensvorm van de arme zusters: een spiritueel omvormingsmodel, Valkhof Pers, 2010.

Jan Hoeberichts, Paradise restored. The social ethics of Francis of Assisi: a commentary on Francis’ “Salutation of the Virtues”, Franciscan Press, Quincy, 2004.