Maria Magdalena bij het graf

Inleiding

Met pasen vieren de Joden de uittocht uit Egypte, hun weg naar de bevrijding. Christenen vieren met pasen bovendien de opstanding oftewel verrijzenis van Jezus.

De opstanding zelf wordt niet op ikonen afgebeeld, wel datgene wat er rond de opstanding gebeurde. We hebben gekozen voor een ikoon bij het verhaal over Maria uit Magdala, die ‘op de eerste dag van de week, toen het nog donker was’ naar het graf van Jezus gaat. We vinden dit verhaal in het Johannesevangelie, hoofdstuk 20. Het is een verhaal met een intermezzo van een ander verhaal, namelijk het bezoek van Simon Petrus en ‘de andere leerling’, die op de melding van Maria snel zijn komen kijken. Als zij weer weg zijn gaat het verhaal over de ervaringen van Maria verder.

Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben. Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. Johannes 20,1-3

De leerlingen gingen terug naar huis.
Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem naartoe gebracht hebben.’ Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je? Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) ‘Houd me niet vast’, zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is’. Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.
Johannes 20,10-18

273066

Verdriet

Maria, de vrouw die Jezus tijdens het laatste deel van zijn leven met veel liefde volgde, gaat nu in alle vroegte naar het graf. Ze is heel verdrietig. Dan buigt ze zich naar het graf en ziet ze twee engelen, die haar aanspreken met de vraag waarom ze huilt. Het is wel een wat vreemde vraag. De reden van haar verdriet moet toch duidelijk zijn.

Met een goede vraag kunnen we wakker geschud worden. Soms moeten we de vraag meerdere keren horen. Het gaat vaak om een proces waarin de gevoelens of denkwijze omgekeerd moeten worden. Dat is niet gemakkelijk. Als je verdriet hebt heb je gewoon verdriet. Dat moet er mogen zijn. Dan kan niemand je bewegen om plots blij te worden. Maria was bedroefd en verward, onrustig. Ze zag daardoor niet helder. Helpt de vraag van de engelen haar nu om op een andere manier te kijken naar wat er gebeurd is? In eerste instantie niet. Ze antwoordt wel op de vraag van de engelen, maar ze luistert niet eens naar een eventueel weerwoord. Ze kijkt om. Dan staat Jezus daar, maar, nog vol van verdriet en onrust, herkent ze hem niet, zelfs niet als hij, zoals ook de engelen deden, haar vraagt waarom ze huilt en wie ze zoekt. Pas bij het horen van haar naam keert ze zich helemaal om, ook innerlijk, en gaan haar ogen open: ‘Rabboeni!’

Omkering

De omkering is echter nog steeds niet totaal. Het beeld dat ze van Jezus heeft is het beeld van het verleden: hoe hij met mensen omging, hoe zijzelf contact had met hem, hoe ze hem met vele anderen volgde. Nu is de situatie anders geworden. Maria is er nog niet aan gewend. Ze zou willen dat het leven weer op dezelfde voet doorging. Niet dus. Opnieuw zullen haar ogen geopend moeten worden, zal de richting van haar hart moeten veranderen. Opnieuw zal ze haar gedachten en verlangens aan moeten passen. Ze kan het vroegere patroon niet zomaar loslaten. Er is zoveel gebeurd. Ze wil zich vastklampen aan wat was. Jezus zegt echter: ‘Houd me niet vast.’ Dit klinkt misschien hard, maar het is niet als berisping bedoeld. Jezus zegt ook waarom ze hem niet vast moet houden. Hij is nog niet opgestegen naar de Vader. Dat is iets wat niet tegengehouden mag worden. De woorden ‘Houd me niet vast’ kunnen haar helpen om duidelijkheid te krijgen in de nieuwe weg die ze te gaan heeft. De uiterlijke wegen van Jezus en Maria gaan vanaf nu uit elkaar, maar er is één gemeenschappelijk gegeven. Jezus zegt dat hij opstijgt ‘naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ Zou hij met die woorden niet heel subtiel iets bijzonder kostbaars zeggen? Kan Maria daarin beluisteren dat er een verbondenheid blijft, ook al lijkt het erop dat er een groot afscheid moet plaatsvinden of eigenlijk al plaatsgevonden heeft?

Opdracht

Als Jezus zegt dat hij naar zijn Vader gaat, die ook de Vader is van Maria en van de leerlingen, dan zijn die woorden niet alleen en niet allereerst als mededeling bedoeld, maar dan richt hij zich tot Maria met een opdracht. Zij moet het gaan vertellen aan zijn ‘broeders en zusters’. Zonder verder nog vragen te stellen – en ook over tranen lezen we niets meer – gaat ze naar de leerlingen. Het eerste wat ze zegt is dat ze de Heer gezien heeft. Maria’s ogen zijn opengegaan. Ze heeft hem gezien in de nieuwe gestalte en ze heeft hem herkend en erkend. Jezus heeft ze gezien als de Levende, die is opgestaan en naar de Vader zal gaan, Jezus, de Levende, van wie ze nu mag getuigen. Jezus, de Levende, die in de Vader ook met hen allen verbonden blijft, over de dood en het lijden heen.

Wat zien we op deze ikoon?

Jezus en Maria uit Magdala

Allereerst zien we Jezus en Maria uit Magdala. Jezus, staande en groot; Maria, knielend en opziend naar hem in een verlangen hem aan te raken. Er is veel af te lezen uit beide houdingen. Die van Jezus is er tegelijkertijd een van afstand en nabijheid. Hij is helemaal gericht op Maria, zet een stap in haar richting en strekt zelfs zijn hand stillend naar haar uit. Hij zal gevoeld hebben hoe verdrietig ze was. Tegelijkertijd houdt hij zich terug. Weer zien we, zoals we al op verschillende ikonen zagen, dat hij een boekrol in zijn linkerhand heeft. De boekrol betekent altijd dat hij zijn opdracht te vervullen heeft. Die opdracht is in feite volbracht. De rol is het teken dat er iets is wat boven alles voorrang heeft. Zijn houding heeft daarmee te maken.

Maria strekt haar handen uit in verlangen en in een nog niet kunnen begrijpen. Ze zit ‘aan de grond’ met haar verwarde gevoelens.

Het graf

Je ziet de windselen liggen in het graf. De ikoon lijkt in dit onderdeel veel op de geboorte-ikoon, waar ongeveer op dezelfde hoogte het Kind in de kribbe lag, in doeken gewikkeld. Nu liggen er alleen de doeken nog. Ook op de geboorte-ikoon staat de kribbe, die eruitziet als een graftombe, in de holte van een rots. Het begin van Jezus verwijst naar het ‘einde’ en het ‘einde’ wijst terug naar het begin in de stille, maar sprekende taal van beide ikonen.

De boom

Op veel ikonen komen struiken of bomen voor. We zagen midden op de ikoon bij Palmzondag ook een boom. Op dezelfde centrale plaats bevindt zich hier een boom, levendig en sierlijk, als een dans. De boom is teken van het nieuwe leven dat door het lijden, sterven en verrijzen van Jezus ontstaan is.

Herkenning in ons eigen leven

Ook ons kan het overkomen dat we verdrinken in onze gevoelens die ons oog vertroebelen. Wat we dan nodig hebben is een woord, een gebaar van een ander. In alle eenvoud. Het woord en het gebaar van de ander zullen we niet altijd meteen in dank afnemen. Maria herkende in eerste instantie noch de woorden, noch de tekenen. Herkenning ontstaat geleidelijk als een mens zoekende blijft, als er iemand is die vraagt: ‘Waarom huil je? Wat zoek je?’ Als er iemand is die het niet opgeeft als je nog een poosje verblind blijft. Herkenning gebeurt vooral als er iemand is die je aanspreekt bij je diepste naam. Persoonlijk aangesproken en ten diepste gepeild, geheel begaan met hetgeen er moeilijk is in je leven. Er zijn anderen die ons kunnen vertellen dat de ellende niet het laatste woord hoeft te hebben, dat er een verder is, over de ellende heen.

De echte ontmoeting is troostend, is helend en zal een opdracht inhouden, ook voor ons: ‘Ga!’, opdat ook anderen tot herkenning en omkering mogen komen. Maria Magdalena, die wel ‘apostel van de apostelen’ wordt genoemd, ging ons voor. Ze vertelt ons dat de dood voorbij is, dat het Leven het gewonnen heeft.

Ricky Rieter

In een wat gewijzigde en beknoptere vorm is deze overweging eerder verschenen in Eikonikon nummer 96 (ikonenbulletin)