Jona

Jona, het verhaal

Het boek Jona is genoemd naar de profeet Jona, die de opdracht kreeg om de mensen van Nineve op te roepen tot bekering. Het begint als volgt:

Het woord van de HEER werd gericht tot Jona, de zoon van Amittai: ‘Sta op, ga naar Nineve, de grote stad, en zeg haar, dat hun verdorvenheid is doorgedrongen tot Mij.’ En Jona stond op, om naar Tarsis te vluchten, weg van de HEER (1,1-3a).

Jona ziet die opdracht van God niet zitten en vertrekt met een schip naar Tarsis. Er ontstaat een hevige storm. Het schip dreigt te vergaan. Alle goden van de zeelui worden aangeroepen, maar de storm blijft woeden. Men zoekt en vindt de schuldige in de persoon van Jona, die bekent dat hij gevlucht is voor de opdracht die hij van zijn God ontvangen heeft. Jona stelt zelf voor om hem dan maar in zee te gooien. De zeelui spreken een gebed uit en werpen Jona in zee, en… de storm bedaart. Ze zijn diep onder de indruk. De mannen werden met grote vrees voor de HEER vervuld; ze brachten een offer aan de HEER en deden geloften (1,6).

Jona verdrinkt niet, maar komt in de buik van een grote vis terecht, waar hij drie dagen en nachten verblijft. Zijn vertoeven aldaar brengt hem tot inkeer en doet hem bidden met teksten uit verschillende psalmen:

In mijn nood roep ik de HEER aan, en Hij heeft mij geantwoord. Uit de schoot van de onderwereld schreeuw ik: luister naar mijn stem! U hebt mij in de afgrond geworpen, in het hart van de zee; stromen water omgeven mij; al uw brekers, al uw golven slaan over mij heen. Ik zei het al: ik ben verworpen, uit uw ogen verbannen. Hoe zal ik ooit nog uw heilige tempel aanschouwen? Het water staat tot mijn lippen, de oceaan omringt mij, mijn hoofd is met wier omwonden. Tot aan het grondvlak van de bergen ben ik in de onderwereld afgedaald; haar grendels zijn achter mij dichtgegaan, voor eeuwig. Trek mij levend omhoog uit de grafkuil, HEER, mijn God! (2,3-7d).

Vervolgens wordt Jona door de vis op de wal gespuwd.

Nu werd het woord van de HEER voor de tweede maal tot Jona gericht: ‘Sta op, ga naar Nineve, de grote stad, en kondig haar aan wat Ik u te zeggen heb gegeven.’ En Jona stond op en ging naar Nineve, zoals de HEER bevolen had (3,1-3a).

De aanzegging dat de stad maar veertig dagen de kans krijgt om zich te bekeren maakt grote indruk op de Ninevieten. De koning roept zijn inwoners op tot een grote, gemeenschappelijke vasten, zelfs de dieren moeten daarin betrokken worden. En tegelijkertijd moeten de mensen hun verkeerde gedrag veranderen. Het hele volk luistert naar de oproep. God komt op zijn besluit om de stad weg te vagen, terug. Hij erbarmt zich over het volk.

* * *

Op deze ikoon zien we alle taferelen uit het verhaal rondom de figuur van Jona geschikt.

Te beginnen links boven en dan meedraaiend met de wijzers van de klok:
1. de roeping van Jona (hand van God linksboven);
2. vlucht, Jona loopt richting boot die klaarstaat om naar Tarsis af te varen;
3. de hevige storm;
4.de zeelieden die hem in zee werpen;
5. de enorme muil van de grote vis;
6. Jona is weer uitgespuwd en zit in gepeins op de grond als hij weer opnieuw opgeroepen wordt om naar Nineve te gaan (hand van God);
7. prediking en boetvaardige houding van de Ninevieten;
8. Jona buiten de stad onder de ricinusboom (hand van God rechtsboven);
9. Jona naast de verdorde boom (hand van God). ‘De hand van God’ die op veel ikonen te zien is, soms vanuit een gestileerde wolk, andere keren vanuit een herkenbare wolk, is op vier van de negen taferelen afgebeeld, als teken van Gods roepstem of Gods aanwezigheid.

* * *

* * *

Sta op

De woorden Sta op vinden we aan het begin van het verhaal (1,2). Jona stáát op, niet om zijn opdracht te vervullen, maar juist om ervoor te vluchten. Een tweede keer klinken dezelfde woorden: Sta op, nu uit de mond van de kapitein, die Jona oproept tot gebed:

Jona echter was afgedaald tot in het diepst van het ruim, was daar gaan liggen en in een diepe slaap gevallen. De kapitein kwam naar hem toe en zei tegen hem: ‘Hoe kunt u zo diep slapen? Sta op en bid tot uw god; dan denkt die god misschien aan ons, en gaan wij niet te gronde!’ (1,5b-6). Sta op horen we nog een keer, nu weer uit de mond van de Heer (3,2). De opdracht om te gaan prediken wordt herhaald en Jona stáát op om er gehoor aan te geven.

Opstandingsverhaal

Het verhaal van Jona wordt vaak als een opstandingsverhaal gelezen. Drie dagen en drie nachten zat Jona in de buik van de grote vis, die donkere diepte, die als een graf beschreven wordt in hoofdstuk 2, drie dagen en drie nachten, zoals Jezus drie dagen in het graf verbleef. Na die drie dagen, toen hij bevrijd was uit de buik van de vis, stond ook Jona op om zijn opdracht te vervullen.

Het opstaan heeft meerdere betekenissen in dit verhaal. Allereerst, zoals gezegd, Gods oproep aan het adres van Jona om te gaan prediken, dan het verzoek van de kapitein van het schip om op te staan en te bidden tot zijn God. Vervolgens, zo lezen we in het derde hoofdstuk, staat Jona opnieuw op als hij, bevrijd uit de buik van de vis, zijn opdracht gaat vervullen. Als de koning ter ore komt wat Jona gezegd heeft, staat ook hij op van de troon, legt zijn staatsiegewaad af en trekt een boetekleed aan, waarna hij zich in het stof neerzet. De diepste, symbolische, betekenis van het opstaan heeft vooral met het volk van Nineve te maken. Het werd opgeroepen om uit zijn zondige levenswijze op te staan. Dit gebeurde doordat de mensen erkenden dat ze verkeerd geleefd hadden. Ze wilden zich van ganser harte openstellen voor Gods barmhartigheid, en ook een nieuw leven beginnen.

In Jona werkte de opstanding niet helemaal door. Hij blijkt verontwaardigd te zijn als het volk zich werkelijk bekeert. Hij kan niet meegaan in de beweging van Gods eindeloze barmhartigheid ten opzichte van het volk dat zwaar gezondigd heeft. Jona moet nog gaan geloven in die vergevingsgezindheid van God. Daartoe wordt hij opgeroepen op het eind van het verhaal.

Een genadige en barmhartige God

Als het volk tot bekering komt heeft Jona het er moeilijk mee. Hij weet dat God een genadige en barmhartige God is: Ik wist immers, dat U een genadige en barmhartige God bent, toegevend en rijk aan liefde (4,2b). Jona kan bijna niet accepteren dat God voor mensen buiten zijn eigen volk barmhartig zou zijn.

Gods barmhartigheid voor alle mensen is het hoofdthema van dit symbolische verhaal.

Altijd weer opnieuw zullen mensen, zullen wij, opgeroepen worden om open te staan voor Gods barmhartigheid, die veel verder reikt dan een mens maar bevroeden kan. Juist als mensen, als wij, in diepste nood zijn is de redding dichtbij. Ieder mens mag zich in gebed richten op de Eeuwige en Hij zal verhoring schenken. Die oproep van God aan ieder mens om op te staan klinkt het sterkst als het gedrag of de leefwijze niet of niet helemaal voldoet aan wat God verwacht. Dan, als de mens intens zijn eigen gebrekkigheid erkent en afgedaald is in het diepst van de eigen onderwereld, dan, als zijn hele wezen zich opent tot een schreeuw om redding en als hij de bereidheid heeft zijn leven te veranderen, dan kan de opstanding gebeuren. Dan mag hij ontdekken dat God een God is met een eindeloos erbarmen, en wel voor iedereen, niet alleen voor het volk Israël, zoals Jona dacht.

Offers, lofprijzing en geloften

Tweemaal in dit verhaal wordt er over offeren gesproken, eenmaal door de zeelui, die grote vrees voor de God van Jona hadden gekregen. De mannen werden met grote vrees voor de HEER vervuld; ze brachten een offer aan de HEER en deden geloften (Jona 1,16). De tweede keer horen we dat ook Jona offers belooft als hij vanuit de ingewanden van de vis zich biddend tot God richt. Het gebeurt, vlak voordat hij uit de vis bevrijd wordt. Het staat er met ongeveer dezelfde woorden als de zeelui gebruikten: Maar ik, ik wil onder lofgezang offers aan U brengen, ik wil mij houden aan mijn gelofte. Bij de HEER is redding (2,10).

Lesje voor Jona

De gedesillusioneerde Jona zou het liefst zelf maar dood zijn. Hij gaat de stad uit en wacht de verdere gebeurtenissen af, nog steeds denkend dat het toch niet waar kan zijn dat God zo barmhartig is. Terwijl hij daar zit doet God op die plaats een ricinusboom groeien, die Jona schaduw geeft. God wil hiermee Jona’s wreveligheid verdrijven. Jona is heel erg blij met de boom, maar als deze de volgende dag verdort door een knagende worm en als ook de oostenwind nog veel hitte met zich meebrengt, wil hij liever sterven. Het verhaal eindigt met een vraag van God waarin hij het verdorren van een enkele boom vergelijkt met de ondergang van een hele stad. Als Jona al jammert om het verdorren van die boom die zomaar was gaan groeien, zou God dan niet mogen jammeren om een hele stad met mensen en dieren, die verloren zou gaan. Het verhaal eindigt met deze gedachte. Er wordt niet meer verteld of Jona deze boodschap begrepen heeft. Dit open einde brengt de vraag naar degene die het verhaal leest.

Ricky Rieter

De Bijbelcitaten zijn genomen uit de Willibrordvertaling van 1995