Gedaanteverandering van Jezus

***

Tweemaal in het jaar lezen we het evangelie over de gedaanteverandering van Jezus. Eenmaal op de tweede zondag van de veertigdagentijd. De andere keer op 6 augustus, het feest van de Gedaanteverandering. In de Oosterse Kerk is dit een van de grootste feesten. Het werd en wordt daar ook veel intenser gevierd dan in het Westen. Men heeft de datum 6 augustus gekozen voor dit feest omdat men vermoedt dat het de datum is geweest van de wijding van de kerk op de berg Tabor, waar de gedaanteverandering zou hebben plaatsgevonden. In de tijd van de kerkvrede na Constantijn de Grote zou hier een kerkje zijn gebouwd.

Het gebeuren van de gedaanteverandering draagt verschillende namen: Transfiguratie, Verheerlijking op de berg. Deze namen slaan op hetzelfde evangelieverhaal, dat door drie evangelisten, de zogeheten synoptici, met telkens wat andere woorden wordt weergegeven: Matteüs (17,1-9), Marcus (9,2-10) en Lucas (9,28-36). In de liturgie lezen we de tekst het ene jaar, bij beide gelegenheden, uit Matteüs, het jaar daarop uit Marcus en het jaar daarop uit Lucas. Het volgende jaar weer uit Matteüs, etc. Overigens staat er in de Tweede brief van Petrus ook een getuigenis van hetgeen voorgevallen is (2 Petrus 1,16-18).

Het verhaal gaat over een intense ervaring. Hoe is die te omschrijven? Jezus verandert van gedaante. Daarin openbaart zich Gods heerlijkheid. Wij kunnen het zo zien: Jezus heeft deel aan die heerlijkheid, en mét hem mag heel de schepping daarin delen. Wij ook.

In 2016 lezen we op de tweede zondag van de veertigdagentijd, en ook op 6 augustus, het verhaal zoals Lucas het ons vertelt.

Gedaanteverandering volgens het evangelie van Matteüs:

Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze alleen waren. Voor hun ogen veranderde hij van gedaante, zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht. Plotseling verschenen aan hen Mozes en Elia, die met Jezus in gesprek waren. Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als u wilt zal ik hier drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia.’ Hij was nog niet uitgesproken, of de schaduw van een stralende wolk gleed over hen heen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde. Luister naar hem!’ Toen de leerlingen dit hoorden, wierpen ze zich neer en verborgen uit angst hun gezicht. Jezus kwam dichterbij, raakte hen aan en zei: ‘Sta op, jullie hoeven niet bang te zijn.’ Ze keken op en zagen niemand meer, Jezus was alleen.

Toen ze van de berg afdaalden, gebood Jezus hun: ‘Praat met niemand over wat jullie hebben gezien voordat de Mensenzoon uit de dood is opgewekt.’
Matteüs 17,1-9

Gedaanteverandering volgens het evangelie van Marcus:

Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze helemaal alleen waren. Voor hun ogen veranderde hij van gedaante, zijn kleren gingen helder wit glanzen, zo wit als geen enkele wolwasser op aarde voor elkaar zou kunnen krijgen.

Toen verscheen Elia aan hen, samen met Mozes, en ze spraken met Jezus. Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Rabbi, het is goed dat wij hier zijn; laten we drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia. Hij wist niet goed wat hij moest zeggen, want ze waren door schrik overweldigd. Toen viel de schaduw van een wolk over hen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar hem!’ Ze keken om zich heen en zagen ineens niemand meer, behalve Jezus, die nog bij hen stond.

Toen ze de berg afdaalden, zei hij tegen hen dat ze aan niemand mochten vertellen wat ze hadden gezien voordat de Mensenzoon uit de dood zou zijn opgestaan. Ze namen zijn woorden ter harte, maar vroegen zich onder elkaar wel af wat hij bedoelde met deze opstanding uit de dood.
Marcus 9,2-10

Gedaanteverandering volgens het evangelie van Lucas:

Ongeveer acht dagen nadat hij dit had gezegd ging hij met Petrus, Johannes en Jakobus de berg op om te bidden. Terwijl hij aan het bidden was, veranderde de aanblik van zijn gezicht en werd zijn kleding stralend wit. Opeens stonden er twee mannen met hem te praten: het waren Mozes en Elia, die in hemelse luister verschenen waren. Ze spraken over het levenseinde dat hij in Jeruzalem zou moeten volbrengen. Petrus en de beide anderen waren in een diepe slaap gevallen; toen ze wakker schoten, zagen ze de luister die Jezus omgaf en de twee mannen die bij hem stonden. Toen de mannen zich van hem wilden verwijderen, zei Petrus tegen Jezus: ‘Meester, het is goed dat wij hier zijn, laten we drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia’, maar hij wist niet wat hij zei. Terwijl hij nog aan het spreken was, kwam er een wolk aandrijven, die een schaduw over hen wierp; ze werden bang toen de wolk hen omhulde. Er klonk een stem uit de wolk, die zei: ‘Dit is mijn Zoon, mijn uitverkorene, luister naar hem!’ Toen de stem verstomd was, was Jezus weer alleen. Ze zwegen over het voorval en vertelden in die tijd aan niemand wat ze hadden gezien.
Lucas 9,28-36

Russische ikoon van Theophanes, de Griek, 15de eeuw

Licht

De aandacht van de kijker wordt als vanzelf naar de lichtende figuur getrokken: Jezus, die van gedaante is veranderd en geheel wit en stralend aanwezig is. Op de achtergrond een zespuntige ster en een grote lichte ovaalvorm, mandorla genoemd, naar het Italiaanse woord dat amandel betekent. In de mandorla zijn sterren aangebracht, die op de originele ikoon goed zichtbaar zijn, maar bij deze reproductie bijna afwezig lijken. Ook zie je veel stralen. Met de sterren wordt aangeduid dat de totale schepping deelheeft aan het licht. De hele ikoon straalt van het licht dat zijn oorsprong in God zelf heeft.

De ikoonschilder die na zijn vorming voor het eerst zelfstandig ging schilderen, begon altijd met deze ikoon. Waarom? De ikoonschilder kreeg de zending en de opdracht van de Kerk om Christus, het beeld, de ikoon van de onzichtbare God, in lijn en kleur uit te beelden, zo lezen we in het boek De Thaborikoon van broeder Louis Bastiaansen, een trappist die een groot deel van zijn leven intens met ikonen geleefd heeft. De ikoonschilder probeerde in lijn en kleur de onzichtbare God uit te drukken – eigenlijk een onmogelijke opgave. Hij schilderde meer met licht dan met kleur. Daarbij zijn de lijnen ook veelbetekenend. Je ziet dat de stralen helemaal naar beneden lopen. Daarover direct meer.

De nimbus of aureool is de ronding van goud (of van een andere, niet doorschijnende kleur) die achter het hoofd van Christus is aangebracht. Deze nimbus schilderen hoort bij het eerste werk van de ikoonschilder, nadat de contouren zijn aangebracht. Soms doet men dit met goudverf, andere keren met opgelegd goud. Met het aanbrengen van de nimbus als eerste werk drukt de ikoonschilder ook weer uit dat het vertrekpunt van elke ikoon het goddelijke licht is. Daarmee verbindt hij zich. Van daaruit werkt hij.

In het lichtovaal worden de twee gestalten, rechts en links van Jezus betrokken. Links (van ons uit gezien) staat de profeet Elia, die met zijn ene hand het ovaal aanraakt, rechts staat Mozes met de tafelen van de Wet in de hand. Deze vallen ook binnen het lichtende ovaal. Hun beider gebogen houding is als een neigen naar het ongeschapen Licht. In de hand van Jezus, ongeveer in het centrum van het ovaal, zien we een tekstrol, die we al vaker op ikonen hebben gezien, altijd als concentratie van Jezus’ ‘levensprogramma’. In hem komt de Wet van Mozes tot vervulling en tevens alles wat al voorzegd is door de profeten.

Mozes, Elia en Jezus staan op een hoge rots. Jezus zweeft er eigenlijk ongeveer boven. Weergegeven wordt dat ze in een andere werkelijkheid vertoeven, een werkelijkheid die het aardse ver overstijgt. Ze praten met elkaar, maar Matteüs noch Marcus vertelt waarover dat gesprek gaat. Dat lezen we wel bij Lucas: Ze spraken over het levenseinde dat hij in Jeruzalem zou moeten volbrengen (Lucas 9,31b).

In de bovenhoeken zie je hoe engelen Elia en Mozes op een wolk naar deze berg begeleiden.

Contrast

Een groot contrast zien we als we onze blik van de lichtcirkel naar het donkere benedendeel van de ikoon brengen. Daar liggen de drie door Jezus uitgekozen apostelen, die met hem samen de berg zijn opgegaan: Petrus, Johannes en Jakobus. Van links naar rechts in deze volgorde. Het duidelijkste is Petrus herkenbaar, aan zijn krullend haar en korte baard. Maar ook aan zijn houding is hij herkenbaar. Wel ligt hij op de grond, zoals Johannes en Jakobus, maar hij keert zijn gezicht naar boven. Hij zegt: Heer, het is goed dat we hier zijn. Als u wilt zal ik hier drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia (Matteüs). Marcus en Lucas zeggen het met ongeveer dezelfde woorden, alleen noemt Petrus Jezus bij Marcus Rabbi, terwijl bij Lucas Petrus Jezus met Meester aanspreekt.

Johannes en Jacobus liggen in totaal afgewende houding op de grond. We lezen bij Marcus: want ze waren door schrik overweldigd. Lucas vermeldt ook, op een wat later moment, dat ze bang waren: ze werden bang toen de wolk hen omhulde. Dat ze bang waren is duidelijk te zien. Ze kunnen dit immense en verblindende licht niet aan. De schittering die ervan uitgaat, daar willen ze zich voor verbergen. Ze ervaren hierin dat wat hier gebeurt, al het aardse ver overstijgt. Het gaat uit boven alles wat ze met Jezus hebben meegemaakt.
Het is een momentopname, want meteen daarna valt de schaduw van een wolk over hen en klinkt er een stem met woorden die tot hen gericht zijn: Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde. Luister naar hem! (Matteüs). Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar hem! (Marcus). Dit is mijn Zoon, mijn uitverkorene, luister naar hem! (Lucas). En dan is het plots voorbij. Jezus staat bij hen, nu weer zoals ze hem kennen. Luisteren naar Jezus, dat is hun opdracht.

De berg op en de berg af

In het middengedeelte zien we links en rechts twee tafereeltjes. Links gaat Jezus met de drie leerlingen de berg op in zijn gewone kleren en rechts daalt hij weer af, ook in zijn gewone kleren. Van de straling en de gedaanteverandering is bij de afdaling (op het rechter deel) niets meer te zien. Het lijkt wel of er niets gebeurd is, maar de ‘gesprekken’ zullen zeker een totaal ander karakter hebben gekregen. Waarschijnlijk zijn ze echter nog niet in staat om een echt gesprek te voeren. De ervaring was er te uitzonderlijk voor. Jezus vraagt om er met niemand over te praten voordat de Mensenzoon uit de dood zou zijn opgestaan. Jezus praat over zichzelf als over de Mensenzoon, ook na deze lichtende gebeurtenis, die ver boven de menselijke maat uitging.

Een les

In alle drie de synoptische evangeliën gaat aan deze indringende gebeurtenis een ernstig woord van Jezus vooraf over hetgeen er te gebeuren stond. Bij Matteüs wordt het als volgt verwoord: Vanaf die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden door toedoen van de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, en dat hij gedood zou worden, maar op de derde dag uit de dood zou worden opgewekt (Matteüs 16,21). Marcus en Lucas vertellen dit in bijna dezelfde woorden (Marcus 8,31-32a / Lucas 9,22).

Matteüs en Marcus beschrijven de heftige reactie van Petrus: Petrus nam hem terzijde en begon hem fel terecht te wijzen: ‘God verhoede het, Heer! Dat zal u zeker niet gebeuren!’ (Matteüs 16,22) / Toen nam Petrus hem apart en begon hem fel terecht te wijzen (Marcus 8,32b). Uit deze woorden blijkt dat ze Jezus’ missie nog steeds niet begrepen hebben. Jezus probeert het nogmaals uit te leggen: Maar Jezus keerde hem de rug toe met de woorden: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je zou me nog van de goede weg afbrengen. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen’ (Matteüs 16,23; vergelijk Marcus 8,33).

Misschien hebben Petrus, en met hem de apostelen, wel niet kunnen geloven dat het lijden zich echt zou voltrekken. Of mogelijk waren de apostelen er niet voor klaar om hun eigen ideeën over de zending van Jezus los te laten. Ook schrokken ze waarschijnlijk zozeer van de eerste helft van de boodschap dat ze de tweede helft over de opstanding maar met een half oor hoorden. De terechtwijzing van Petrus vroeg dus om een terechtwijzing van Jezus.

Bevestiging

Het gebeuren op de berg kan enerzijds een bevestiging inhouden voor de leerlingen, een bevestiging dat de Vader achter Jezus stond, maar anderzijds, en misschien wel allereerst, zal het voor Jezus zelf een bevestiging zijn geweest. Een bevestiging waarop hij terug kan vallen als de vijandigheid van zijn omgeving toeneemt en als de tijd van het lijden aan zal breken. Ze kwamen bij een olijfgaard die Getsemane heette en hij zei tegen zijn leerlingen: ‘Blijven jullie hier zitten, terwijl ik ga bidden.’ Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee. Hij voelde zich onrustig en angstig worden en zei tegen hen: ‘Ik voel me dodelijk bedroefd, blijf hier waken.’ Hij liep nog een stukje verder, liet zich toen op de grond vallen en bad dat dit uur zo mogelijk aan hem voorbij mocht gaan. Hij zei: ‘Abba, Vader, voor u is alles mogelijk, neem deze beker van mij weg. Maar laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat u wilt’ (Marcus 14,32-36; vergelijk Matteüs 26,36-44 en Lucas 22,39-46).

Het valt op dat Jezus in zijn grote nood ook spreekt over Gods wil, zoals hij eerder Petrus vermaande om niet de wil van de mensen voor te laten gaan op Gods wil. Jezus staat voor de dezelfde zware opdracht om de wil van God voor te laten gaan op zijn eigen wil.

Het moment op de berg is een groots moment, misschien wel het hoogtepunt in het leven van Jezus, want toen liet zijn Vader hem al delen in de heerlijkheid, waarin Jezus, nadat hij alles zou volbracht hebben, voor altijd volledig zou worden opgenomen.

Hemel en aarde

Op de ikoon worden de hemel en de aarde met elkaar verbonden. Het lijken wel twee werelden, maar als je goed kijkt, zie je dat de stralen vanuit de lichtcirkel doorlopen naar de aarde, naar de gevloerde leerlingen. Petrus richt zich juist op van de aarde naar boven. Hij is een man van de aarde, ligt op de aarde geknield en richt zich tot Jezus, die in een toestand van glorie en heerlijkheid verkeert.

De woorden die vanuit de wolk gesproken worden, komen van de ‘hemel’, maar zijn wel bedoeld voor de ‘aarde’. Dit verhaal is niet bedoeld om een scheiding te brengen tussen hemel en aarde, maar om te verbinden. We spreken wel in tegenstellingen, boven/beneden, hemel/aarde, licht/donker, maar het is de bedoeling dat er een verbinding tot stand zal komen, dat de benedenwereld zal delen in de bovenwereld, dat de aarde een hemel wordt, dat het licht doordringt in de donkerheid van het bestaan. Als dit gaat gebeuren, zal de omgekeerde beweging van beneden naar boven, van de aarde naar de hemel, van het donker naar het licht, steeds meer op gang komen. Dat zou je verlossing kunnen noemen, een verlossing die op den duur de oorspronkelijke eenheid herstelt.

Paulus schrijft aan de Korintiërs: Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd (2 Korintiërs 3,18).

Onze gedaanteverandering, onze omvorming

Uit het juist aangehaalde citaat kunnen we opmaken dat de gedaanteverandering veel verder reikt dan die van Jezus en verder dan die van de drie apostelen die er zo nauw bij betrokken werden. In het boek Exodus wordt verteld hoe Mozes, na de tien geboden ontvangen te hebben, de berg afdaalt, terwijl het hele volk ziet hoe zijn gezicht straalt doordat hij met de Heer had gesproken (Exodus 34,29b). Zelf weet hij dit niet. De glans is zo sterk dat Aäron, de broer van Mozes, en het volk hem niet durven naderen, maar Mozes wenkt hen en vertelt wat de Heer heeft gezegd. Toen hij uitgesproken was bedekte hij zijn gezicht met een doek (Exodus 34,33). Mozes deed de doek af, telkens als hij met de Heer sprak.

Op dit gegeven zal Paulus doelen in bovenstaand citaat. Eens zullen wij met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen. Het is de Geest die in ons het omvormingsproces kan bewerken. In ons dagelijks leven ervaren we die glans niet altijd. Er is nog heel wat dat omgevormd moet worden, voordat wij in die fase zijn waarin wij ook geheel deelhebben aan die glans. Maar het gebeurt wel, we zijn ertoe geroepen en de Geest is het die ons steeds verder in die richting leidt. Soms mogen we het ook een beetje zien, in onszelf of in anderen. Het wordt ons dan gegeven zoals het de drie apostelen gegeven werd. Ook zij konden dat licht nog niet goed verdragen, maar uiteindelijk hebben ze hun leven gegeven voor hun geloof en zullen ze in Gods heerlijkheid zijn opgenomen.

Om zelf van gedaante te veranderen en steeds meer toe te groeien naar dat schitterende beeld van God hebben we in dit verhaal, dat door drie evangelisten tot ons is gekomen, een handreiking ontvangen met de woorden: Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar hem! (Marcus 9,7b).

Luisteren is een van de grondhoudingen die we nodig hebben als we werkelijk van gedaante willen veranderen en als we steeds meer willen leren leven in zijn Geest. Ons telkens opnieuw richten op het Licht zal ons in staat stellen het duister in onszelf te overwinnen.

Ricky Rieter

Vieringen

Pokrof is de landelijke instelling voor de katholieke gemeenschappen die vieringen houden met Byzantijnse liturgie, zie: www.pokrof.nl.

Boeken ter nadere oriëntatie

Ik heb, bij het schrijven van dit artikel, me laten inspireren door elementen uit de volgende boeken:

Jim Forest, Bidden met iconen, Ten Have, 1998, ISBN 90 259 4736 0
P. Al, De ikoon van de Gedaanteverandering in Gebed in beelden, feestikonen in de Oosterse Kerk, Gooi en Sticht, 1991, ISBN 90 304 0621 6
Br. Louis Bastiaansen, De Thaborikoon, Theologie en Symboliek van de Ikonen, 1984 Zundert, trappistenabdij (alleen daar verkrijgbaar)

Een bijzonder artikel over deze ikoon, geschreven door zuster Hedwig Vrensen, kluizenares, is te vinden in Eikonikon 22: Schouwen, gedachten rond een ikoon